ECLI:NL:PHR:2004:AN8284
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling opheffing buurweg en rechtsstrijd over padgebruik tussen percelen
In deze zaak staat centraal of een pad tussen verschillende percelen als buurweg kan worden aangemerkt en of deze buurweg is opgeheven. Eisers vorderden dat het pad als buurweg erkend wordt en dat verweerster wordt verplicht de doorgang vrij te maken. De rechtbank wees de vordering af omdat niet was vastgesteld dat sprake was van een buurweg volgens het oude recht, dat een subjectieve bestemming vereist.
Het hof oordeelde dat het pad ooit feitelijk tot buurweg was bestemd, maar dat deze bestemming door gewijzigde omstandigheden en het in onbruik raken van het pad rond 1995 is opgeheven. Het hof verwierp het verweer dat het pad sinds 1954 in onbruik was en stelde vast dat de afsluiting van het pad met tuinafval en boomstammetjes door eisers en verweerster de opheffing van de buurweg bevestigde.
In cassatie werd betoogd dat het hof de feitelijke gronden van het verweer had aangevuld en art. 719 BW Pro (oud) had geschonden. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de stellingen van verweerster begrijpelijk had uitgelegd en dat de opheffing van de buurweg stilzwijgend met gemeenschappelijke toestemming was geschied. Het cassatieberoep werd verworpen omdat het hof geen onbegrijpelijke beslissing had genomen en de rechtsstrijd niet was overschreden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het pad wordt niet langer als buurweg erkend.