1 Zesde richtlijn betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (77/388//EEG).
2 Belastingdienst Grote ondernemingen P.
3 Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
4 Hof 's-Hertogenbosch 18 december 2001, nr. 99/2109, V-N 2002/11.25.
5 Tot de bijlagen van belanghebbendes beroepschrift voor het Hof behoort een (deel van een) rapport van de Belastingdienst (bijlage 3). Het rapport heeft betrekking op het door de Belastingdienst gehouden deelonderzoek naar (uitsluitend) belanghebbendes intracommunautaire leveringen naar G. Volgens het rapport is ter zake van het goederenvervoer naar Spanje sprake van niet-getekende CMR-vrachtbrieven.
6 Vgl. beroepschrift in cassatie, blz. 2.
7 Cursivering JO.
8 Vgl. Considerans van Richtlijn 91/680/EEG van de Raad van 16 december 1991 tot aanvulling van het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en tot wijziging, met het oog op de afschaffing van de fiscale grenzen, van Richtlijn 77/388/EEG, PB nr. L 376, blz. 1 e.v.
9 Voor een uitvoeriger beschrijving van de historische ontwikkeling verwijs ik naar TK 1991-1992, 22 712, nr. 3, blz. 4 e.v.
10 De voorgenomen 'beperkte' overgangsperiode volgt uit artikel 28terdecies, Zesde richtlijn, welke is opgenomen in hoofdstuk XVIBIS van de Zesde richtlijn.
11 De regelingen rondom de gelijkstelling van 'artikel 27-landbouwers' en 'volledig vrijgestelde ondernemers' met belastingplichtigen laat ik buiten beschouwing.
12 TK 1991-1992, nr. 3 (MvT), blz. 13.
13 In 1994 bedroeg deze drempel in Nederland f 23.000. De niet-belastingplichtige rechtspersoon kan overigens kiezen voor toepassing van de 'algemene regeling', dat wil zeggen gelijkstelling aan de belastingplichtige ongeacht de omvang van de verwervingen.
14 Het Hof heeft overigens ten onrechte het in de Zesde richtlijn vermelde drempelbedrag tot uitgangspunt genomen. Van belang is immers niet de minimumdrempel uit de richtlijn, doch de door Spanje gehanteerde drempel. Voor onderhavige zaak staat evenwel vast dat door de eerste levering ook de 'Spaanse drempel' is overschreden. In het litigieuze naheffingstijdvak werd in Spanje namelijk een drempelbedrag aangehouden van 1.300.000 Pta (Vgl. Bijlage 4 van het vertoogschrift van de Inspecteur, blz. 3), hetgeen overeenkomt met de in de Zesde richtlijn gehanteerde drempel van 10.000 ECU (Zie hieromtrent de tabel opgenomen in Bijlage 1 bij het - ingevolge 28terdecies van de Zesde richtlijn ingediende - verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de werking van de BTW-overgangsregeling voor intracommunautaire transacties, COM (94) 515 def., Brussel, 23 november 1994).
15 Achtste Richtlijn 79/1072/EEG van de Raad van 6 december 1979 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Regeling voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen (Pb. EG nr. L331, blz. 11 e.v.).
16 Verordening (EEG) nr. 218/92 van de Raad van 27 januari 1992 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de indirecte belastingen (BTW), Pb EG nr. L 24.
17 Richtlijn 77/799/EEG van de Raad van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten op het gebied van de directe belastingen (Pb. EG nr. L336), waarvan de werkingssfeer bij Richtlijn 79/1070/EEG van de Raad van 6 december 1979 houdende wijziging van Richtlijn 77/799/EEG betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten op het gebied van de directe belastingen (Pb. EG nr. L331) tot de omzetbelasting was uitgebreid, bleek onvoldoende rechtsgrondslag te bieden voor de vereiste administratieve samenwerking bij totstandkoming van de interne markt. Zie ook: Ministeriële regeling van 24 september 1998, nr. AFZ 98/1302, Stcrt. 19 mei 1999, nr. 93, V-N 1999/26.7.
18 Vgl. o.m. TK 1992-1993, 22 712, nr. 6, blz. 19, alwaar een volledig overzicht is gegeven van de in andere lidstaten gehanteerde nummers ter identificatie van de belastingplichtige afnemers.
19 Vgl. omtrent vorenstaande artikel 2a, eerste lid, aanhef en onder g, Wet OB'68, artikel 22, eerste lid, onder a en c tot en met e, Zesde richtlijn, alsmede artikel 22, tiende lid, Zesde richtlijn.
20 Vgl. artikel 6, van Verordening (EEG) nr. 218/92 van de Raad van 27 januari 1992 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de indirecte belastingen (BTW), Pb. EG nr. L 24.
21 TK 1992-1993, 22 712, nr. 8, blz. 17.
22 COM (94) 515 def., Brussel, 23 november 1994, blz. 31 e.v. Zie hieromtrent V-N 1995, blz. 767 e.v.
23 TK 2002-2003, 28 887, nr. 5, blz. 3.
24 Cursivering JO.
25 Vgl. artikel 22, derde lid, onder a en b, Zesde richtlijn, alsook artikel 35, eerste lid, aanhef en onderdeel f, Wet OB'68.
26 Op dit moment is een voorstel tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 (V-N 2003/44.24), hetwelk behelst per 1 januari 2004 Richtlijn 2001/115/EG van de Raad van 20 december 2001 tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG met het oog op de vereenvoudiging, modernisering en harmonisering van de ter zake van de facturering geldende voorwaarden op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde(Pb. EG nr. L 15) te implementeren. Bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel zal de verplichting tot vermelding van het BTW-identificatienummer van de ondernemer en afnemer op de factuur in zoverre worden uitgebreid dat deze verplichting in beginsel voor alle diensten gaat gelden en niet slechts voor een beperkt aantal diensten. Vgl. het voorgestelde artikel 35a, eerste lid, aanhef en onder c en d. Zie ook: TK 2002-2003, 29 036, nr. 2, blz. 2 en nr. 3, blz. 4 e.v.
27 Vgl. artikel 22, zesde lid, onder b, Zesde richtlijn, alsmede artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder a, en het tweede lid, Wet OB'68.
28 TK 1991-1992, 22 712, nr. 3, blz. 21.
29 Vgl. artikel 4, respectievelijk 5 Vo. 218/92. Door de Europese Commissie is overigens een voorstel ingediend voor een nieuwe Verordening betreffende de administratieve samenwerking (Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (Pb. EG nr. C 270)). Uit de toelichting op het ingediende voorstel moet worden afgeleid dat de in Verordening 218/92 en Richtlijn 77/799 vervatte communautaire rechtsinstrumenten moeten worden vervangen, versterkt en gemoderniseerd teneinde BTW-fraude doelmatiger te kunnen bestrijden.
30 Vgl. r.o. 4.4. van de hofuitspraak.
31 TK 1992-1993, 22 712, nr. 8, blz. 39.
32 Dat het voorgestelde tijdsverloop tussen aanvraag en toekenning van een BTW-identificatienummer niet altijd conform de bedoeling verloopt, moge volgen uit het rapport: Nationale ombudsman 23 maart 1999, rapportnr. 99/117, Infobulletin 99/384.
33 TK 1992-1993, 22 712, nr. 8, blz. 15.
34 TK 1992-1993, 22 712, nr. 6, blz. 16 en 17.
35 TK 1992-1993, 22 712, nr. 98b, blz. 7 en 8.
36 HvJ EG 9 oktober 1980, nr. 823/79 (Giovanni Carciati), Jurispr. EG blz. 2773.
37 HvJ EG 11 december 1984, nr. 134/83 (Abbink), Jurispr. EG blz. 4097.
38 De Duitse tekst (art. 28c, A, aanhef en onder a) luidt: '(...) den Bedingungen, die sie zur Gewährleistung einer korrekten und einfachen Anwendung (...) sowie zur Verhütung von Steuerhinterziehung, Steuerumgehung und Mißbrauch festlegen: a) die Lieferungen von Gegenständen (...) die durch den Verkäufer (...) versandt (...) werden, wenn diese Lieferungen an einen anderen Steuerpflichtigen oder an eine nichtsteuerpflichtige juristische Person bewirkt werden, der/die als solcher/solche in einem anderen Mitgliedstaat als dem des Beginns des Versands (...) handelt.'. De Engelse tekst (art. 28c, A, aanhef en onder a) houdt in: '(...) conditions which they shall lay down for the purpose of ensuring the correct and straightforward application (...) and preventing any evasion, avoidance or abuse, Member States shall exempt: (a) supplies of goods (...) on behalf of the vendor (...), effected for another taxable person or a non-taxable legal person acting as such in a Member State other than that of the departure of the dispatch or transport of the goods.' Ten slotte vermeldt de Franse tekst (artikel 28quater, A, aanhef en onder a): '(...) les conditions qu'ils fixent en vue d'assurer l'application correcte et simple des exonérations prévues ci-après et de prévenir toute fraude, évasion ou abus éventuels, les États membres exonèrent: a) les livraisons de biens, (...) expédiés ou transportés, par le vendeur (...), effectuées pour un autre assujetti, ou pour une personne morale non assujettie, agissant en tant que tel dans un État membre autre que celui du départ de l'expédition ou du transport des biens.'
39 Voor het leveren van bewijs dat de goederen zijn vervoerd naar een andere lidstaat kunnen kopieën van de op de transacties betrekking hebbende facturen, CMR-vrachtbrieven, pakbonnen, betalingsbewijzen, kopiefacturen waarop voor ontvangst is getekend, alsmede een verklaring van de vervoersonderneming als boeken en bescheiden dienen. Aanvullend bewijs van vervoer is slechts noodzakelijk indien aan voormeld bewijs gebreken kleven. Vgl. HR 18 april 2003, nr. 37.790, V-N 2003/22.10.
40 Voor een kritische kanttekening bij deze conclusie van A-G Wattel zij gewezen op onderdeel 5 van de noot van Bijl in BNB.
41 Vgl. beroepschrift belanghebbende, bijlage 6.
42 Voorzover uit de ná een hofuitspraak verkregen resultaten van de gegevensuitwisseling zou volgen dat de afnemer alsnog aangifte heeft gedaan van een intracommunautaire verwerving, dan ligt het uiteraard in de rede dat de Staatssecretaris zijn beroep tot cassatie alsnog zou intrekken, respectievelijk het verweer in cassatie zou staken.
43 Beschikking van 28 maart 1993, nr. VB93/575, V-N 1993, blz. 1107.
44 Vgl. hieromtrent Besluit van 20 juni 1995, nr. VB 95/2120, V-N 1995, pt. 23, blz. 2324 e.v. (Mededeling 38), Reugebrink/Van Hilten, Omzetbelasting, Fiscale studieserie nr. 6, FED, Deventer 1997, blz. 222 en Denie, Linssen & Nieuwenhuizen, BTW en EG-transacties, Deventer: Kluwer, hoofdstuk 7-60, suppl. 13 (november 1998).
45 TK 1991-1992, 22 712, nr. 3, blz. 9 e.v.
46 TK 1991-1992, 22 712, B, blz. 3 e.v.
47 TK 1992-1993, 22 712, nr. 6, blz. 11 e.v.
48 TK 1991-1992, 22 712, nr. 8, blz. 8 e.v.
49 TK 1991-1992, 22 712, nr. 3, blz. 9 e.v.
50 Het navolgende voorbeeld is na uitdrukkelijk advies van de Raad van State in de memorie van toelichting opgenomen. Zie hieromtrent TK 1991-1992, 22 712, B, onder nr. 4, blz. 6 e.v.
51 TK 1992-1993, 22 712, nr. 6, blz. 11 e.v.
52 Handelingen EK 23 december 1992, blz. 12-510 rk e.v.
53 COM (94) 515 def., Brussel, 23 november 1994, blz. 31 e.v. Zie hieromtrent V-N 1995, blz. 767 e.v.
54 TK 2002-2003, 28.887, nr. 3, blz. 8.
55 TK 1992-1993, 22 712, nr. 6, blz. 13 e.v.
56 Een zorgvuldigheidsnorm bij de invulling van de onderworpenheidseis wordt, gelet op - in het onderhavige naheffingstijdvak nog niet in werking getreden - Mededeling 38, ook wel door de Staatssecretaris van Financiën voorgestaan. Vgl. met name onderdeel 3 van Besluit van 20 juni 1995, nr. VB 95/2120, V-N 1995, pt. 23, blz. 2324 e.v.
57 TK 1991-1992, 22 712, B, blz. 3 e.v.
58 TK 1991-1992, 22 712, nr. 3, blz. 9 e.v.
59 TK 1992-1993, 22 712, nr. 6, blz. 11 e.v.
60 TK 1992-1993, 22 712, nr. 8, blz. 8 e.v.
61 EK 1992-1993, 22 712, nr. 98b, blz. 2 e.v.
62 Handelingen EK 22 december 1992, blz. 11-478 m.k. e.v.
63 Van Dijk merkte tijdens de beraadslagingen tevens op: 'In zijn reactie op de brief van de RCO schrijft de staatssecretaris (...) 'dat de ondernemer die aantoont dat de goederen naar een andere lidstaat zijn vervoerd, geacht moet worden te goeder trouw te zijn'.' Zie in dit verband Handelingen EK 22 december 1992, blz. 11-479 l.k.. Deze reactie van de Staatssecretaris heeft evenwel m.n. betrekking op de vraag of de leverancier voldoende in de gaten heeft gehouden of de goederen zijn 'vervoerd' respectievelijk 'verzonden'.
64 Handelingen EK 23 december 1992, blz. 12-510 rk e.v.
65 De voor de teruggaafregeling geldende onderworpenheidseis is geïmplementeerd in artikel 33, zesde lid, Wet OB'68 in verbinding met artikel 30a, eerste lid, Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968.
66 Jurispr. EG 1996 blz. I-4495, BNB 1997/95 met noot van Van Hilten
67 Reugebrink/Van Hilten, Omzetbelasting, Fiscale studieserie nr. 6, FED, Deventer 1997, blz. 279.
68 Lenos, Perikelen rond het nultarief, Europees BTW-nieuws, 1995/4, blz. 3-7.
69 Mijn noot:: Lenos verstaat onder 'exoten' de afnemers in andere lidstaten die te maken hebben met een aankoopdrempel. 70 Cursus Belastingrecht, Omzetbelasting, 2A.1.2.A.b2 (suppl 346 - juli 2002), blz 44-48.
71 Van Hilten, Toepassing van het nultarief bij intracommunautaire leveringen, Europees BTW-nieuws, 1992/3, blz. 10 -12.
72 Vermeend/Kogels, Compendium van het Europees belastingrecht, Kluwer - Deventer - 1994, blz. 113 en 114.
73 Van Vliet, BTW bij in- en uitvoer; De heffing van BTW bij internationale transacties, Kluwer - Deventer, Fenedex, 1998, blz. 189.
74 Bijl/Van Hilten/Van Vliet, Europese BTW en Nederlandse omzetbelasting, Kluwer - Deventer, 2001, blz. 340.
75 Denie, Linssen & Nieuwenhuizen, BTW en EG-transacties, Deventer: Kluwer, hoofdstuk 7-60, suppl. 13 (november 1998).
76 Zie hieromtrent onderdeel 4.4 van deze conclusie.
77 Vgl. hieromtrent de in onderdeel 4.4.2 aangehaalde passage uit de wetsgeschiedenis.
78 Zie HvJ EG 3 juni 1992, C-287/91 (Commissie/Italië), Jurispr. EG, blz. I-3515, betreffende de stelselmatige overschrijding van de termijnen voor teruggaaf van de BTW aan niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen.
79 Vgl. artikel 22, eerste lid, onder c en en, Zesde richtlijn.