ECLI:NL:PHR:2004:AN8901

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 februari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C02/271HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 hoofdstuk 2 Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000Art. 5 hoofdstuk 11 Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijfVreemdelingenwet 2000Regeling verstrekkingen asielzoekers (ROA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling einde zorgvoorzieningen voor vreemdeling na intrekking voorwaardelijke verblijfsvergunning

De zaak betreft een vreemdeling afkomstig uit Somalië die een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) had en voorzieningen ontving op grond van de Zorgwet vvtv. Na intrekking van zijn vvtv door de Staatssecretaris van Justitie en het uitblijven van verlenging, stelde de gemeente dat zijn recht op huisvesting en zorg was geëindigd. De voorzieningenrechter wees de vordering tot ontruiming toe, maar het hof vernietigde dit en oordeelde dat het Stappenplan 1999, met het meewerkcriterium, van toepassing was, waardoor de opvang voortgezet moest worden.

De Hoge Raad oordeelde dat het Stappenplan 1999 niet van toepassing is op voorzieningen op grond van de Zorgwet vvtv, maar slechts op ROA/RVA-voorzieningen. Verder stelde de Hoge Raad vast dat de voorzieningen op grond van de Zorgwet vvtv van rechtswege eindigden vier weken na de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000, omdat de intrekking van de vvtv vóór die datum was genomen. Het Stappenplan Zorgwet vvtv was ook niet van toepassing omdat de intrekkingsbeslissing vóór de inwerkingtreding van dat stappenplan was genomen.

Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof en verwees de zaak naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling en beslissing over de overige grieven van de vreemdeling tegen het vonnis van de voorzieningenrechter.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor verdere behandeling.

Conclusie

Rolnr. C02/271HR
Mr L. Strikwerda
Zt. 21 nov. 2003
conclusie inzake
Gemeente Wageningen
tegen
[Verweerder]
Edelhoogachtbaar College,
1. Deze zaak betreft een overgangsrechtelijk probleem in verband met de intrekking van de Wet van 26 april 1995, houdende bepalingen inzake gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf, Stb. 1995, 158, hierna: de Zorgwet vvtv.
2. De feiten liggen als volgt (zie r.o. 3 van het bestreden arrest van het Hof in verbinding met r.o. 1 t/m 5 van het vonnis van de Voorzieningenrechter).
(i) Thans verweerder in cassatie, hierna: [verweerder], is een vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000. Hij is afkomstig uit Somalië. Aan hem is een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verleend. Thans eiseres tot cassatie, hierna: de Gemeente, heeft [verweerder] in het kader van de taakstelling zoals bedoeld in de Zorgwet vvtv gehuisvest in een woning te [plaats] en zorg verleend overeenkomstig hoofdstuk 3 van die wet.
(ii) Bij beschikking van 11 augustus 1995 heeft de Staatssecretaris van Justitie afwijzend beslist op de aanvragen van [verweerder] om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. [Verweerder] heeft tegen de afwijzing van de aanvragen een bezwaarschrift ingediend. De Staatssecretaris heeft bij beschikking van 19 december 1995 het bezwaar ongegrond verklaard en [verweerder] in het bezit gesteld van een vvtv. [Verweerder] is tegen de uitspraak op zijn bezwaarschrift in beroep gegaan. De Rechtbank 's-Gravenhage, zitting houdende te Zwolle, heeft op 28 januari 1998 het beroep ongegrond verklaard.
(iii) De Staatssecretaris heeft op 1 september 1997 bij beschikking de aan [verweerder] verleende vvtv ingetrokken. [Verweerder] heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Staatssecretaris heeft op 15 mei 1998 het bezwaar ongegrond verklaard. [Verweerder] heeft tegen die beslissing beroep ingesteld bij de Rechtbank 's-Gravenhage, die op 11 november 1999 het beroep ongegrond heeft verklaard.
(iv) Bij brief van 11 november 2000 heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) aan [verweerder] medegedeeld dat de vvtv niet is verlengd en dat een last tot uitzetting is verstrekt. De Gemeente heeft bij brief van 16 november 2001 aan [verweerder] kenbaar gemaakt dat hij na een periode van 28 dagen na datum poststempel geen aanspraak meer kan maken op voorzieningen in het kader van de Zorgwet vvtv en hij de woning na het verstrijken van 28 dagen moet hebben ontruimd. Aan dit laatste heeft [verweerder] geen gevolg gegeven.
3. Bij exploit van 7 februari 2002 heeft de Gemeente [verweerder] in kort geding gedagvaard voor de Voorzieningenrechter in de Rechtbank Arnhem en gevorderd dat [verweerder] wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning. De Gemeente heeft gesteld dat [verweerder] zonder recht of titel in de woning verblijft, aangezien zijn recht op huisvesting en zorg op grond van de Zorgwet vvtv van rechtswege is geëindigd.
4. Nadat [verweerder] de vordering had bestreden, heeft de Voorzieningenrechter bij vonnis van 21 maart 2002 de vordering van de Gemeente toegewezen en [verweerder] veroordeeld om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis de woning te ontruimen. Naar het oordeel van de Voorzieningenrechter verblijft [verweerder] thans zonder recht of titel in de woning, aangezien uit art. 5 lid 2 van Pro hoofdstuk 11 van de Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000 volgt dat de aanspraak van [verweerder] op de verstrekkingen van rechtswege is geëindigd met ingang van 29 april 2001, zijnde vier weken na de dag waarop de Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000 in werking is getreden.
5. Op het hoger beroep van [verweerder] heeft het Gerechtshof te Arnhem bij arrest van 23 juli 2002 het vonnis van de Voorzieningenrechter evenwel vernietigd en, opnieuw recht doende, de vordering van de Gemeente alsnog afgewezen. Daartoe overwoog het Hof - kort gezegd - dat op [verweerder], nu deze vóór 1 april 2001 zijn laatste beslissing van de IND gekregen heeft, het zgn. Stappenplan 1999 (Stcrt. 1999, 53) van toepassing is (gebleven) (r.o. 4.3). In dit Stappenplan wordt uitgegaan van het zgn. meewerkcriterium: indien de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan zijn inspanningsverplichting ter verkrijging van reisdocumenten heeft voldaan, wordt de opvang niet beëindigd als de aanvraag voor een reisdocument wordt afgewezen (r.o. 4.4). [Verweerder] heeft naar het voorlopig oordeel van het Hof voldoende aannemelijk gemaakt, dat hij heeft voldaan aan het meewerkcriterium. Daaruit volgt dat op grond van het Stappenplan 1999 de opvang gecontinueerd had dienen te worden, aldus het Hof (r.o. 4.5).
6. De Gemeente is tegen het arrest van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit drie onderdelen opgebouwd middel dat door [verweerder] is bestreden met conclusie tot verwerping van het cassatieberoep.
7. Na onderdeel 1, dat een inleidend karakter heeft en geen klacht bevat, bestrijdt onderdeel 2 van het middel r.o. 4.3 van het bestreden arrest met een rechtsklacht. Het betoogt dat het Hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door te overwegen dat op [verweerder] het Stappenplan 1999 - met daarin het zgn. meewerkcriterium - van toepassing is gebleven. Volgens het onderdeel heeft het Hof miskend dat door de Gemeente aan [verweerder] geen voorzieningen zijn verstrekt uit hoofde van de ROA of de Rva 1997 maar voorzieningen uit hoofde van de Zorgwet vvtv en dat met de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 de voorzieningen die [verweerder] uit hoofde van deze wet ontving van rechtswege zijn geëindigd per 29 april 2001.
8. Het Stappenplan 1999 (voluit: "Herzien stappenplan beëindiging opvang ongedocumenteerd asielzoekers") is neergelegd in een circulaire van de Staatssecretaris van Justitie van 8 januari 1999, Stcr. 1999, 53. Het bevat een nadere uitwerking van de in art. 8 van Pro de Rva 1997 (Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen, Besluit van 18 december 1997, Stcr. 1997, 246) voorziene regeling van de beëindiging van zgn. ROA/RVA-voorzieningen, dat wil zeggen voorzieningen verstrekt uit hoofde van de Regeling opvang asielzoekers (Stcr. 1987, 75) en/of uit hoofde van de Rva 1997.
9. In het onderhavige geval zijn, zoals het Hof als vaststaand heeft aangenomen en in cassatie ook niet wordt betwist, aan [verweerder] geen ROA/RVA-voorzieningen verstrekt, doch zijn hem voorzieningen verstrekt op de voet van (art. 10 van Pro) de Zorgwet vvtv. Ten aanzien van hem is het Stappenplan 1999 derhalve niet van toepassing. Vgl. F. Larsson, Nieuwsbrief Asiel- en Vreemdelingenrecht, 2001, blz. 394-395.
10. Daarmee is nog niet beantwoord de vraag of de aan [verweerder] verstrekte voorzieningen met de intrekking van de Zorgwet vvtv van rechtswege zijn geëindigd. Voor de beantwoording van deze vraag is het volgende van belang.
11. De Zorgwet vvtv is bij de Invoeringswet van de op 1 april 2001 in werking getreden Vreemdelingenwet 2000 ingetrokken (art. 4 van Pro hoofdstuk 2 van de Invoeringswet). Ten aanzien van het overgangsregime bepaalt art. 5 van Pro hoofdstuk 11 van de Invoeringswet het volgende:
1. In afwijking van artikel 4 van Pro hoofdstuk 2 kan de toepassing van de Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf gedurende ten hoogste zes maanden worden voortgezet ten aanzien van een vreemdeling die op de dag, voorafgaande aan de inwerkingtreding van dat artikel, als vergunninghouder verstrekkingen op grond van die wet genoot.
2. In afwijking van artikel 4 van Pro hoofdstuk 2 kan de toepassing van de Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf worden voortgezet ten aanzien van een vreemdeling die op de dag, voorafgaande aan de inwerkingtreding van dat artikel, niet langer houder is van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf, maar wel de verstrekkingen op grond van die wet geniet. Deze verstrekkingen eindigen vier weken na de dag waarop de beschikking is bekend gemaakt, waarbij de voorwaardelijke vergunning tot verblijf is ingetrokken of de geldigheidsduur van de voorwaardelijke vergunning tot verblijf is geëindigd.
Indien de werking van de beschikking waarbij de voorwaardelijke vergunning tot verblijf is ingetrokken of de aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur is afgewezen, is opgeschort, eindigen de verstrekkingen vier weken na de dag waarop de opschorting eindigt en uitzetting om die reden niet langer achterwege hoeft te blijven. Indien daarvan sprake is vóór de inwerkingtreding van deze wet, dan eindigen de verstrekkingen vier weken na de dag waarop deze Wet in werking is getreden.
Hieruit volgt dat met ingang van 1 april 2001, de datum van inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000, voor vreemdelingen ten aanzien van wie ná 1 april 2001 de beslissing tot intrekking of niet-verlenging van de vvtv is genomen, de verstrekkingen op grond van de Zorgwet vvtv vier weken na die beslissing eindigen. Is de beslissing genomen vóór 1 april 2001, dan eindigen de verstrekkingen vier weken na 1 april 2001, derhalve op 29 april 2001. Een afzonderlijke beëindigingsbeschikking is niet voorgeschreven; de verstrekkingen eindigen derhalve van rechtswege.
12. In het onderhavige geval heeft de Staatssecretaris van Justitie op 1 september 1997 bij beschikking de aan [verweerder] verleende vvtv ingetrokken. [Verweerder] heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Staatssecretaris heeft op 15 mei 1998 het bezwaar ongegrond verklaard. [Verweerder] heeft tegen die beslissing beroep ingesteld bij de Rechtbank 's-Gravenhage, die op 11 november 1999 het beroep ongegrond heeft verklaard. Bij brief van 11 november 2000 heeft de IND aan [verweerder] medegedeeld dat de vvtv niet is verlengd en dat een last tot uitzetting is verstrekt. Ten aanzien van [verweerder] is de beslissing tot intrekking of niet-verlenging van de vvtv derhalve genomen vóór 1 april 2001, zodat de hem op grond van de Zorgwet vvtv verstrekte voorzieningen ingevolge art. 5 lid 2 van Pro hoofdstuk 11 van de Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000 vier weken na 1 april 2001, derhalve op 29 april 2001, van rechtswege eindigden.
13. Aan het vorenstaande kan het Stappenplan Zorgwet vvtv (op 2 december 2000 inwerkinggetreden circulaire van de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid, Stcr. 2000, 233) niet afdoen, reeds omdat dit stappenplan ten aanzien van [verweerder] niet van toepassing is. Het Stappenplan Zorgwet vvtv is blijkens de omschrijving van de doelgroep (onder 1.2) slechts van toepassing op vreemdelingen aan wie voorzieningen worden verstrekt in het kader van de Zorgwet vvtv en van wie op of na de datum van inwerkingtreding van het stappenplan - 2 december 2000 - een beslissing tot intrekking of niet verlenging van de vvtv is genomen of een negatieve beslissing op het ingediende bezwaar tegen de intrekking of de niet-verlenging van de vvtv is genomen. Vgl. Larsson t.a.p. Ten aanzien van [verweerder] is zowel de beslissing tot intrekking van de vvtv als de negatieve beslissing op het bezwaar daartegen genomen vóór 2 december 2000.
14. Onderdeel 2 van het middel is, zo volgt, gegrond.
15. Dit zo zijnde, treft ook onderdeel 3 van het middel, dat zich richt tegen de op het door onderdeel 2 gewraakte oordeel van het Hof voortbouwende oordelen - in r.o. 4.4 en 4.5 - over de vraag of [verweerder] heeft voldaan aan het zgn. meewerkcriterium van het Stappenplan 1999, doel.
16. Na vernietiging van het bestreden arrest zal verwijzing moeten volgen, opdat de door het Hof niet behandelde grieven 2 en 3 van [verweerder] tegen het vonnis van de Voorzieningenrechter alsnog worden onderzocht.
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest van het Gerechtshof te Arnhem en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,