1 De naam van [eiseres] is in de cassatiedagvaarding geschreven als: [eiseres]; in het herstelexploot is die naam (in overeenstemming met de in het vonnis van de rechtbank en in het bestreden arrest gevolgde schrijfwijze) geschreven als: [eiseres]. In het door [verweerster] ingeroepen vonnis van de kantonrechter Amsterdam van 30 augustus 1996 (en in de voor de kantonrechter gewisselde processtukken) is de schrijfwijze [eiseres] gevolgd.
2 Zie rov. 3 van het bestreden arrest, waarin het hof naar de feitenvaststelling in rov. 1 van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 september 2000 heeft verwezen.
3 Kennelijk uit de rapportage van [A]; zie hiervóór, onder 1.2.d.
4 Het bestreden arrest dateert van 28 maart 2002. Op 28 juni 2002 heeft [eiseres] [verweerster] gedagvaard om ter terechtzitting van 20 september 2002 te verschijnen. Zij heeft echter verzuimd de zaak ter rolle te doen inschrijven. Op 3 oktober 2002 heeft zij een herstelexploit uitgebracht. Dat was binnen 14 dagen na de oorspronkelijk aangezegde rechtsdag en dus tijdig: HR 13 oktober 2000, NJ 2002, 31, m.nt. HJS onder HR 12 januari 2001, NJ 2002, 34.
5 Vgl. HR 17 november 1995, NJ 1996, 283, rov. 3.4 (gezag van gewijsde van beslissing waarin niet enkel een feit wordt vastgesteld, maar waarin die vaststelling deel uitmaakt van een beslissing omtrent de rechtsbetrekking in geschil, in dier voege dat deze rechtsbetrekking (mede) wordt bepaald door de volgens die beslissing aan het vastgestelde feit verbonden rechtsgevolgen).
6 Zie daarover Losbl. Rv., aant. 1 bij art. 236 (E.J. Numann), waarin wordt verwezen naar Losbl. Rv. (oud); zie in het bijzonder aant. 6, 8 en 9 bij art. 67 (oud) (W.D.H. Asser). Zie voorts Y.E.M. Beukers, Eenmaal andermaal? Beschouwingen over gezag van gewijsde en ne bis in idem in het burgerlijk procesrecht (1994), p. 66-105; E. Gras, Kracht en gezag van gewijsde. De rechtskracht van einduitspraken van de burgerlijke rechter (1994), p. 288-297.
7 Zie onder meer HR 13 oktober 2000, NJ 2001, 210, rov. 3.4 en 3.5.
8 Y.E.M. Beukers, a.w., p. 71-77.
9 HR 16 mei 1975, NJ 1976, 465, m.nt. W.H.H..
10 Vgl. naar aanleiding van het arrest van 16 mei 1975 Losbl. Rv. aant. 8 bij art. 67 (oud) (W.D.H. Asser): "Was in een ander feitelijk kader - bijvoorbeeld ten aanzien van nieuwe leveranties op grond van dezelfde overeenkomst - de dwaling en daarmee de geldigheid van de overeenkomst aan de orde gesteld dan zou het gezag van gewijsde van die eerdere beslissing niet hebben gewerkt."
11 Y.E.M. Beukers, a.w., p. 70/71, met een verwijzing naar HR 14 oktober 1988, NJ 1989, 413, m.nt. JBMV. Zie ook HR 13 oktober 2000, NJ 2001, 210, in het bijzonder de op het eerste onderdeel gegeven beslissing; daaruit vloeit voort dat, buiten het geval dat de betrokken partij in de eerste procedure zo weinig heeft aangevoerd dat de rechter als gevolg daarvan niet in staat was een beslissing over de rechtsbetrekking in geschil te geven (vgl. HR 19 november 1993, NJ 1994, 175), het poneren van aanvullende feiten in een volgende procedure ter onderbouwing van de reeds afgewezen vordering het gezag van gewijsde niet doorbreekt.
12 Vgl. over de positie van de eiser in reconventie wiens vordering nauw samenhangt met het in conventie gevoerde verweer, Y.E.M. Beukers, a.w., p. 76, bovenaan.
13 Y.E.M. Beukers, a.w., p. 76-78.
14 Y.E.M. Beukers, a.w., p. 76-77, meent dat de bedoelde maatstaf ook met het oordeel in HR 19 november 1993, NJ 1994, 175, in overeenstemming is te brengen: van de later ingeroepen, afwijkende eigenschappen van het bessensap bleek weliswaar uit een na afloop van het eerste geding beschikbaar gekomen TNO-rapport, maar het had, gezien het belang van het TNO-onderzoek voor de eerste procedure, op de weg van de koper gelegen ervoor zorg te dragen dat de resultaten van dit onderzoek tijdig beschikbaar waren.
15 Onderdeel 1.1 bevat geen klacht.
16 HR 24 januari 2003, NJ 2003, 300.
17 HR 31 oktober 2003, JOL 2003, 560, RvdW 2003, 169.
18 Aldus ook A-G Spier in zijn conclusie voor het arrest van 31 oktober 2003, in het bijzonder onder 3.18.