7. Bij de Wet van 26 april 1995, Stb. 1995, 255, (Wet tot herziening van de maatregel van ondertoezichtstelling van minderjarigen (artikelen 254 en volgende van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek)) die ertoe strekt rechtspraak en verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de maatregel te scheiden, is de uitvoering van de ondertoezichtstelling die voorheen aan de kinderrechter was opgedragen, opgedragen aan de gezinsvoogdij-instellingen. Wat de machtiging tot uithuisplaatsing betreft heeft de gewijzigde taakverdeling tot gevolg dat de beslissing van de kinderrechter zich beperkt tot machtiging op verzoek van de gezinsvoogdij-instelling. Binnen de grenzen van de machtiging oefent de gezinsvoogdij-instelling de bevoegdheid tot uithuisplaatsing naar eigen inzicht uit. De kinderrechter kan niet machtigen tot plaatsing in een voorziening ingeval de gezinsvoogdij-instelling daarom niet heeft verzocht; de kinderrechter kan wel een minder ruime machtiging geven dan waarom is verzocht. Zie de memorie van toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 1992-1993, 23 003, nr. 3, p. 40.
Gezinsvoogdij-instellingen hebben behoefte aan enige speelruimte mede in verband met de wachtlijsten die in de praktijk voor de voorzieningen bestaan. De wetgever heeft dat belang onderkend. Hij is op twee wijzen tegemoetgekomen aan deze behoefte van de gezinsvoogdij-instellingen die - zoals gezegd - zijn gebonden aan de grenzen die de machtiging stelt. In de eerste plaats heeft de wetgever het mogelijk gemaakt dat een machtiging wordt verleend voor een categorie van voorzieningen zodat niet voor iedere verhuizing binnen een categorie van voorzieningen een nieuwe machtiging behoeft te worden gevraagd; zie de memorie van toelichting, p. 41:
"Anderzijds is het in bepaalde omstandigheden wenselijk dat de gezinsvoogdij-instelling zelf een keuze kan maken uit verschillende tehuizen binnen dezelfde soort voorzieningen zonder daar steeds toestemming voor aan de rechter te vragen. In de huidige praktijk van de ondertoezichtstelling komt het regelmatig voor, dat de kinderrechter in korte tijd verscheidene opeenvolgende beschikkingen tot uithuisplaatsing moet geven vanwege de overplaatsing van een kind naar een ander tehuis zonder dat de opvattingen van de ouder en de minderjarige over uithuisplaatsing zijn veranderd. Door het mogelijk maken van een meer algemene machtiging wordt voorkomen dat voor dergelijke verhuizingen binnen een zelfde soort voorzieningen zonder noodzaak steeds een rechterlijke beslissing vereist is."
Ten tweede heeft de wetgever een machtiging voor meer dan één categorie van voorzieningen niet willen uitsluiten. De beoordeling van de wenselijkheid daarvan ligt in handen van de kinderrechter; zie de memorie van toelichting, p.40:
"Evenzeer is denkbaar dat de gezinsvoogdij-instelling een machtiging vraagt om de minderjarige in elk geval uit huis weg te kunnen halen teneinde hem te plaatsen in een tehuis of een voorziening voor pleegzorg. Indien de rechter dit in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige noodzakelijk acht, zal hij de machtiging voor beide soorten voorzieningen verlenen."
In de praktijk wordt ook gewerkt met zogenaamde trajectmachtigingen, d.w.z. machtigingen voor meerdere voorzieningen waarbij een volgorde van plaatsing wordt aangegeven.
Het beleid van kinderrechters ter zake van het verlenen van de nodige speelruimte aan de gezinsvoogdij-instellingen is niet eenduidig. Zie De Savornin Lohman e.a., Met recht onder toezicht gesteld, Evaluatie herziene OTS-wetgeving, 2000, p. 64, resp. p. 82-82:
"Er blijkt in de praktijk geen sprake van eenduidigheid in het omgaan met de reikwijdte van de machtiging. Er zijn kinderrechters die meerdere categorieën hanteren (het maximum aantal blijkt 12) en er zijn kinderrechters die een ruimere machtiging van de UHP hanteren en vier categorieën accepteren. Voordeel van de ruime machtiging is dat niet altijd van te voren bekend is waar plaats zal zijn. Indien er binnen drie maanden geen plaats is in een instelling waarvoor een machtiging is gegeven, terwijl de OTS-pupil elders geplaatst kan worden, moet opnieuw een verzoek tot machtiging worden ingediend. Een ruime machtiging biedt in zo'n geval soelaas. Hierdoor wordt de doelstelling om met name de ouders en de minderjarige duidelijkheid te geven over de aard van de plaatsing, in zekere zin ondermijnd."