ECLI:NL:PHR:2004:AN9079
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toewijzing vordering Deutsche Bank tegen vennoot v.o.f. wegens financieringsovereenkomst
De zaak betreft een geschil tussen eiser, voormalig vennoot van een vennootschap onder firma (v.o.f.) die in auto's handelde, en Deutsche Bank, die financieringsovereenkomsten met de v.o.f. had gesloten. De kern van het geschil was of een bedrag van fl. 416.000,- dat Deutsche Bank op 26 maart 1982 aan de v.o.f. had overgemaakt, daadwerkelijk onderdeel was van de financieringsovereenkomst of een privé-krediet aan een medevennoot betrof.
De rechtbank wees de vordering van Deutsche Bank af wegens onvoldoende bewijs dat het bedrag voortvloeide uit de financieringsovereenkomst. Het hof stelde dit oordeel echter bij en achtte bewezen dat het bedrag onderdeel was van de financieringsovereenkomst en dat de vordering terecht was. Het hof motiveerde dit onder meer met het ontbreken van tegenbewijs en het feit dat de v.o.f. het geld had ontvangen en gebruikt in het kader van de autohandel.
Eiser voerde in cassatie aan dat de betaling niet aan de financieringsovereenkomst beantwoordde omdat de vereiste documenten ontbraken en dat een deel van het bedrag privé was aangewend. De Hoge Raad verwierp deze middelen, benadrukkend dat het hof terecht had geoordeeld op basis van de feitelijke omstandigheden en het ontbreken van bewijs van andersluidende besteding. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het hofarrest in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de toewijzing van de vordering van Deutsche Bank tegen eiser als hoofdelijk aansprakelijke vennoot.