ECLI:NL:PHR:2004:AN9177
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bewijs en motivering van opzettelijk in hulpeloze toestand laten van stiefdochter
De zaak betreft een arrest van de Hoge Raad waarin verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk in een hulpeloze toestand laten van zijn stiefdochter, aan wie hij krachtens wet verplicht was tot verzorging. De feiten betreffen mishandelingen door de moeder van het kind met een bamboestok en het nalaten van verdachte om medische hulp in te schakelen, ondanks zijn kennis van eerdere mishandelingen.
De verdachte had na een mishandeling boodschappen gedaan en zijn vrouw en het slachtoffer alleen gelaten. Bij terugkomst werd hij geïnformeerd over verdere mishandelingen, maar hij stelde zich niet grondig op de hoogte van de toestand van het slachtoffer. Pas laat op de avond werd duidelijk dat het slachtoffer ernstig gewond was en uiteindelijk overleed.
Het hof sprak verdachte vrij van het feit onder art. 255 Sr Pro, maar de Hoge Raad vernietigde dit en oordeelde dat het hof voldoende had gemotiveerd dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat het slachtoffer in een hulpeloze toestand verkeerde. De Hoge Raad benadrukte dat het opzet hier cognitief van aard is en dat het nalaten van zorg plichtsverzuim inhoudt.
De Hoge Raad verwierp de cassatiemiddelen en bevestigde dat het bewijs en de motivering toereikend waren om het opzet op het laten voortduren van de hulpeloze toestand vast te stellen.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat zijn stiefdochter in een hulpeloze toestand verkeerde en verwerpt het cassatieberoep.