ECLI:NL:PHR:2004:AN9191
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het vertrouwensbeginsel bij onjuiste kennisgeving in cassatieprocedure
In deze zaak stond centraal of een onjuiste kennisgeving van het parket bij de Hoge Raad aan verdachte, waarin werd gemeld dat het cassatieberoep was verworpen, het vertrouwensbeginsel schond en daarmee het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard.
De verdachte had een kennisgeving ontvangen dat het cassatieberoep op 25 juni 2002 was verworpen, waarna hij erop vertrouwde dat de zaak definitief was afgerond en hij niet verder vervolgd zou worden. Het hof oordeelde aanvankelijk dat dit vertrouwen gerechtvaardigd was en verklaarde het OM niet-ontvankelijk. De Hoge Raad stelde echter vast dat het parket bij de Hoge Raad geen deel uitmaakt van het OM en niet bevoegd is tot vervolgingsbeslissingen. Hierdoor kon een dergelijke kennisgeving geen gerechtvaardigd vertrouwen scheppen dat het OM niet verder zou vervolgen.
De Hoge Raad benadrukte dat alleen toezeggingen of gedragingen van het OM zelf, of daaraan toe te rekenen instanties, een dergelijk vertrouwen kunnen wekken. Bovendien had de onjuiste kennisgeving geen procesueel nadeel voor verdachte veroorzaakt, omdat hij niet in een slechtere positie was gebracht dan zonder die kennisgeving.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak terug naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling van het hoger beroep, waarmee het vertrouwensbeginsel in dit geval niet leidde tot niet-ontvankelijkheid van het OM.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigde het arrest dat het OM niet-ontvankelijk verklaarde en verwees de zaak terug voor verdere behandeling.