AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Natuurlijke verbintenis en waardebepaling bij verdeling echtelijke woning na echtscheiding
Partijen, gehuwd onder huwelijkse voorwaarden zonder gemeenschap van goederen, kochten samen een woonboerderij waarvan zij ieder voor de helft eigenaar waren. De man financierde de aankoop en investeerde aanzienlijke bedragen in renovatie. Na echtscheiding werd de woning aan de vrouw toegewezen, waarbij discussie ontstond over verrekening van investeringen en de peildatum voor waardebepaling.
Het Hof oordeelde dat de man handelde uit een natuurlijke verbintenis jegens de vrouw, waardoor verrekening van investeringen achterwege bleef, en dat partijen een andere peildatum voor waardering waren overeengekomen dan de datum van verdeling. De man ging in cassatie tegen deze beslissingen.
De Hoge Raad stelt dat de vraag naar natuurlijke verbintenis objectief moet worden beoordeeld en dat het Hof onvoldoende motivering gaf voor het oordeel dat investeringen uit lopende inkomsten waren gefinancierd, terwijl een groot deel uit overwaarde kwam. Ook bevestigt de Hoge Raad dat het Hof terecht aannam dat partijen zich aan de taxatie per taxatiedatum zouden houden.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak voor nadere beoordeling terug naar een ander gerechtshof, met name voor een nieuwe weging van de omstandigheden rond de natuurlijke verbintenis en investeringen. De kwestie van de peildatum wordt bevestigd als gebaseerd op een partijafspraak.
Uitkomst: Arrest Hof vernietigd en zaak verwezen voor nadere beoordeling over natuurlijke verbintenis en verrekening investeringen.
Conclusie
Rolnr. C02/311HR
Mr L. Strikwerda
Zt. 5 dec. 2003
conclusie inzake
[De man]
tegen
[De vrouw]
Edelhoogachtbaar College,
1. Deze zaak betreft de verdeling van de aan partijen tijdens hun huwelijk in gezamenlijke eigendom toebehorende echtelijke woning. Meer bepaald gaat het om de vraag of - bij toescheiding van de woning aan de vrouw - de bedragen die door de man zijn geïnvesteerd in de renovatie van de woning moeten worden verrekend en om de vraag naar de peildatum met betrekking tot de waardebepaling van de woning.
2. Voor zover thans in cassatie van belang, liggen de feiten als volgt (zie r.o. 3 van het bestreden arrest van het Hof in verbinding met r.o. 2 en r.o. 2.1 van de vonnissen van de Rechtbank van respectievelijk 21 januari 1998 en 14 juni 2000).
(i) Partijen, hierna: de man en de vrouw, zijn op 11 december 1971 met elkaar gehuwd.
(ii) Bij notariële akte van 1 december 1971 zijn partijen huwelijkse voorwaarden overeengekomen volgens welke tussen hen generlei gemeenschap van goederen zal bestaan.
(iii) Bij beschikking van 3 april 1996 is door de Rechtbank Utrecht tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De beschikking is op 1 mei 1996 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
(iv) Ieder van partijen is voor de onverdeelde helft eigenaar van de voormalige echtelijke woning, een woonboerderij c.a. gelegen te [plaats].
(v) De woonboerderij werd op 3 november 1980 door partijen gekocht voor een bedrag van f 347.280,- k.k. De koopprijs, inclusief de kosten, werd gefinancierd door het afsluiten van een hypotheek met levensverzekering. Op de hypothecaire lening ten bedrage van f 375.000,- wordt niet afgelost.
(vi) Voordat partijen in 1980 de woonboerderij betrokken, bewoonden zij een uitsluitend aan de man in eigendom toebehorend huis, dat op 20 juli 1981 is verkocht en waaruit voor de man een overwaarde resteerde van f 282.000,-. Dit bedrag is door de man geïnvesteerd in een ingrijpende, in 1982 gestarte jarenlang geduurd hebbende verbouwing van de woonboerderij. Deze verbouwing heeft in totaal afgerond f 400.000,- gekost.
3. Hangende de onderhavige, bij dagvaarding van 27 juni 1996 door de man voor de Rechtbank Utrecht ingeleide procedure is de man ermee akkoord gegaan dat de woonboerderij aan de vrouw wordt toegescheiden. Bij vonnis van 14 juni 2000 heeft de Rechtbank dienovereenkomstig de woonboerderij aan de vrouw toegescheiden.
4. Voor zover thans in cassatie van belang houden nog twee kwesties partijen verdeeld. De eerste betreft de vraag of de bedragen die door de man zijn geïnvesteerd in de renovatie van de woonboerderij door hem zijn verstrekt ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis jegens de vrouw, zodat de vrouw niet gehouden is deze investeringen met de man te verrekenen. De vrouw stelt zich op het standpunt dat sprake is van de voldoening door de man aan een natuurlijke verbintenis. De man betwist dit. De tweede kwestie betreft de peildatum met betrekking tot de waardering van de woonboerderij. In geschil is of partijen een andere peildatum zijn overeengekomen dan de datum van verdeling.
5. Met betrekking tot het eerstbedoelde geschilpunt heeft het Hof in zijn thans bestreden arrest het volgende overwogen en beslist (r.o. 4.3):
"Vooropgesteld zij dat de vraag of er in enig geval sprake is van een natuurlijke verbintenis dient te worden beantwoord naar objectieve maatstaven en dat het subjectieve inzicht van degene die de prestatie verricht geen beslissende betekenis toekomt. Vaststaat dat [de man] (de man, A-G), toen partijen de woonboerderij op 3 november 1980 kochten, de eigendom welbewust mede op naam van [de vrouw] (de vrouw, A-G) heeft gezet, en hij de financiering, bestaande uit een hypothecaire lening van f 375.000,-, uitsluitend voor zijn rekening heeft genomen, dat het huis bestemd was om aan partijen en hun twee schoolgaande kinderen tot woonhuis te dienen en dat [de vrouw] toentertijd niet over de middelen beschikte om zonodig zelf in woongenot of inkomsten te kunnen voorzien. Vaststaat voorts dat de investeringen door [de man] na de aankoop in het pand gedaan ter noodzakelijke verbetering daarvan, zijn gefinancierd uit zijn lopende inkomsten, welke daardoor niet volledig rechtstreeks aan de bestrijding van de dagelijkse kosten van het gezin zijn besteed. Dat betekent dat deze investeringen mede het uitgavenpatroon van het gezin in die periode hebben bepaald. Naar het oordeel van het hof heeft [de man] door zo te handelen voldaan aan een natuurlijke verbintenis jegens [de vrouw]. Dit brengt mee dat deze investeringen niet tussen partijen behoeven te worden verrekend."
6. Wat het andere geschilpunt betreft, heeft het Hof als volgt overwogen en beslist (r.o. 4.8):
"Met betrekking tot de waardering van de boerderij is het juist dat in beginsel uitgangspunt dient te zijn de waarde ten tijde van de verdeling tenzij op grond van een partijafspraak dan wel op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere peildatum aangehouden dient te worden. Partijen hebben op 7 april 1998 bij gelegenheid van de comparitie van partijen gezamenlijk schriftelijk afgesproken om de boerderij opnieuw te laten taxeren. Het ligt in de rede om, wanneer de rechter partijen tot elkaar heeft gebracht om een dergelijke afspraak te maken, aan te nemen dat partijen de bedoeling hebben zich aan de op grond van die afspraak uit te brengen taxatie te houden. [de man] heeft onvoldoende nadere omstandigheden aangevoerd die dat anders maken."
7. Op grond van dit een en ander is het Hof tot de slotsom gekomen dat de vrouw terzake van de toescheiding aan haar van de woonboerderij de man verschuldigd is de waarde waartegen de woonboerderij opnieuw is getaxeerd (f 1.050.000,-) minus de hypotheek (f 375.000,-) gedeeld door 2 is f 337.500,- (r.o. 4.13). Rekening houdend met het reeds door de vrouw bij de overdracht van de boerderij aan de man uitgekeerde bedrag en een andere, in cassatie niet aan de orde zijnde post, heeft het Hof de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een bedrag van f 197.250,- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 18 juni 2000 tot aan de dag der algehele voldoening.
8. De man is tegen het arrest van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit verscheidene onderdelen opgebouwd middel. De vrouw is in cassatie niet verschenen.
9. Onderdeel 1 van het middel keert zich in vijf subonderdelen tegen het oordeel van het Hof - in r.o. 4.3 - met betrekking tot de vraag of de bedragen die door de man zijn geïnvesteerd in de renovatie van de woonboerderij door hem zijn verstrekt ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis jegens de vrouw.
10. Bij de beoordeling van het onderdeel dient het volgende vooropgesteld te worden. Wanneer echtgenoten die met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen zijn gehuwd, een goed op beider naam verkrijgen, maar de tegenprestatie geheel door een van hen wordt voldaan, heeft deze echtgenoot in beginsel jegens de andere een recht op vergoeding van de helft van de waarde van die tegenprestatie. Hetzelfde geldt indien, zoals in het onderhavige geval, een van hen de waardevermeerderende investeringen in het gemeenschappelijke goed geheel uit eigen middelen heeft bekostigd. Dit kan anders zijn onder meer wanneer een en ander tussen hen is geschied om te voldoen aan een natuurlijke verbintenis van de ene echtgenoot tot verzorging van de andere. Zie HR 30 januari 1991, NJ 1992, 191 nt. EAAL. Zie voorts HR 12 juni 1987, NJ 1988, 150 nt. EAAL, HR 15 september 1995, NJ 1996, 616 nt. WMK en HR 28 maart 1997, NJ 1997, 581 nt. WMK. Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een natuurlijke verbintenis die een uitzondering op het uitgangspunt rechtvaardigt, moet worden uitgegaan van de algemene maatstaf van art. 6:3 lidPro 2, aanhef en onder b, BW. Dit brengt mee dat die vraag naar een objectieve maatstaf moet worden beoordeeld en dat aan het subjectieve inzicht van degene die de prestatie voldoet, geen beslissende betekenis toekomt. In het algemeen zal als een objectieve aanwijzing voor de aanwezigheid van een natuurlijke verbintenis mogen worden beschouwd de omstandigheid dat de prestatie bestond in het verstrekken door de man van gelden voor de aankoop van een geheel of mede op naam van de vrouw te plaatsen, gemeenschappelijke of alleen voor de vrouw bestemde woning. De omstandigheden van het geval, waaronder de wederzijdse welstand en behoefte van partijen, kunnen evenwel anders uitwijzen. Zie HR 15 september 1995, NJ 1996, 616 nt. WMK.
11. In het onderhavige geval heeft het Hof een natuurlijke verbintenis aanwezig geacht op de volgende gronden:
(a) de man heeft, toen partijen de woonboerderij op 3 november 1980 kochten, de eigendom welbewust mede op naam van de vrouw gezet;
(b) de man heeft de financiering, bestaande uit een hypothecaire lening van f 375.000,-, uitsluitend voor zijn rekening genomen;
(c) het huis was bestemd om aan partijen en hun twee schoolgaande kinderen tot woonhuis te dienen;
(d) de vrouw beschikte toentertijd niet over de middelen om zonodig zelf in woongenot of inkomsten te kunnen voorzien;
(e) de door de man na de aankoop in het pand gedane investeringen ter noodzakelijke verbetering daarvan, zijn gefinancierd uit lopende inkomsten van de man, welke daardoor niet volledig rechtstreeks aan de bestrijding van de dagelijkse kosten van het gezin zijn besteed, hetgeen betekent dat deze investeringen mede het uitgavenpatroon van het gezin in die periode hebben bepaald.
12. Subonderdeel 1.1 klaagt dat een deel van de door het Hof aan zijn oordeel ten grondslag gelegde gronden niet een voldoende (begrijpelijke) basis vinden in de stukken van het geding. Deze algemene klacht wordt nader uitgewerkt in de subonderdelen 1.2 t/m 1.4.
13. Subonderdeel 1.2 heeft betrekking op de hierboven onder (b) bedoelde grond en betoogt dat de constatering van het Hof dat de man de financiering, bestaande uit een hypothecaire lening van f 375.000,-, "uitsluitend voor zijn rekening heeft genomen" nadere motivering vereist, nu vaststaat dat op de hypothecaire lening niets is afgelost en deze tevens is verbonden met levensverzekeringen, waarvan het overlijdensrisico-gedeelte ten name van de vrouw stond.
14. Het subonderdeel faalt. Het Hof heeft met de gewraakte constatering kennelijk bedoeld dat de man de kosten van financiering, d.w.z. de betaling van de over de hypothecaire lening verschuldigde rente alsmede de betaling van de premie ter zake van de daaraan verbonden levensverzekering, voor zijn rekening heeft genomen. Dat is in het licht van hetgeen door het Hof als vaststaand is aangenomen, niet onbegrijpelijk.
15. Subonderdeel 1.3 betreft de hierboven onder (d) bedoelde grond. Het subonderdeel acht onduidelijk wat het Hof precies bedoelt met "toentertijd" en voert voorts aan dat de vrouw ten processe wel degelijk heeft gesteld inkomsten te hebben genoten.
16. Ook dit subonderdeel is naar mijn oordeel ongegrond. Met "toentertijd" heeft het Hof kennelijk het oog op de periode waarin de woonboerderij werd aangeschaft en partijen tot echtelijke woning diende. Gelet op hetgeen blijkens de gedingstukken door de man (conclusie van repliek, blz. 3) en door de vrouw (overzicht overgelegd als productie 4 bij conclusie van dupliek) is gesteld met betrekking tot de inkomsten van de vrouw en waaruit naar voren komt dat de vrouw slechts geringe inkomsten genoot (volgens de man zo'n f 6.000,- à f 7.000,- per jaar, volgens de vrouw gemiddeld zo'n f 12.000,- per jaar), is niet onbegrijpelijk dat het Hof heeft geoordeeld dat de vrouw niet beschikte over de middelen om zonodig zelf in woongenot of inkomsten te kunnen voorzien.
17. Subonderdeel 1.4 heeft betrekking op de hierboven onder (e) bedoelde grond. Het subonderdeel acht de desbetreffende overweging van het Hof onbegrijpelijk, met name omdat zij in strijd zou zijn met de door het Hof als vaststaand aangenomen omstandigheid dat de man het bij de verkoop op 20 juli 1981 van het eerder door partijen bewoonde huis vrijkomende bedrag aan overwaarde (f 282.000,-) heeft geïnvesteerd in de verbouwing van de woonboerderij.
18. Het subonderdeel is terecht voorgesteld. Waar tussen partijen onomstreden is en door het Hof ook als vaststaand is aangenomen dat van de ca. f 400.000,- die is geïnvesteerd in de renovatie van de woonboerderij een bedrag van f 282.000,- afkomstig was uit de opbrengst van de verkoop van het eerder door partijen bewoonde, uitsluitend aan de man in eigendom toebehorende huis, is onbegrijpelijk 's Hofs oordeel dat de door de man na de aankoop in woonboerderij gedane investeringen zijn gefinancierd uit lopende inkomsten van de man.
19. Daarmee valt een van de gronden waarop het Hof zijn oordeel heeft gebouwd, weg. In aanmerking genomen het belang dat het Hof kennelijk aan deze grond hecht (het Hof wijst erop dat daardoor de lopende inkomsten van de man niet volledig rechtstreeks aan de bestrijding van de dagelijkse kosten van het gezin zijn besteed, wat betekent dat deze investeringen mede het uitgavenpatroon van het gezin in die periode hebben bepaald) en dat de beantwoording van de vraag of de overige door het Hof genoemde gronden het oordeel kunnen dragen dat sprake is van een natuurlijke verbintenis, mede afhankelijk is van een nadere weging van de omstandigheden van het geval, waarvoor in cassatie geen plaats is, zal na vernietiging verwijzing moeten volgen.
20. Subonderdeel 1.5 komt op tegen de beslissing van het Hof om de man te veroordelen om over het aan de vrouw toegewezen bedrag van f 197.250,- de wettelijke rente te betalen vanaf 18 juni 2000 tot aan de dag der algehele voldoening. Het subonderdeel acht in de eerste plaats de door het Hof gekozen ingangsdatum onbegrijpelijk en zelfs ultra petitum, nu de vrouw de wettelijke rente pas heeft gevorderd met ingang van 28 juli 2000. In de tweede plaats acht het subonderdeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk waarom het Hof überhaupt wettelijke rente heeft toegewezen nu uit niets blijkt dat de man ter zake van de terugbetaling waar het hier om gaat, in gebreke is gesteld, zodat niet valt in te zien waarom de man, zoals door art. 6:119 BWPro vereist, in verzuim zou zijn geweest.
21. De eerste klacht treft doel. Blijkens de gedingstukken (memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appèl, blz. 25) heeft de vrouw de wettelijke rente gevorderd vanaf 28 juli 2000, de datum van transport van de woonboerderij. Derhalve is niet begrijpelijk waarom het Hof de wettelijke rente heeft toegewezen vanaf 18 juni 2000.
22. De tweede klacht faalt evenwel. Uit de gedingstukken blijkt niet (het middel noemt ook geen vindplaatsen) dat de man de verschuldigdheid van wettelijke rente afzonderlijk heeft betwist. Het Hof heeft daaruit kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat de verschuldigdheid van wettelijke rente, zo de vordering waarover deze door de vrouw is verlangd geheel of gedeeltelijk voor toewijzing vatbaar zou worden geoordeeld, tussen partijen niet in geschil is.
23. Onderdeel 2 van het middel valt uiteen in drie subonderdelen en neemt stelling tegen het oordeel van het Hof - in r.o. 4.8 - inzake de peildatum met betrekking tot de waardebepaling van de woonboerderij.
24. Na subonderdeel 2.1, dat geen klacht bevat, verwijt subonderdeel 2.2 het Hof, indien het heeft aangenomen dat "een partijafspraak" iets anders is dan "een overeenkomst", te zijn uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.
25. Het subonderdeel faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Niets in het bestreden arrest wijst erop dat het Hof onder een partijafspraak iets anders heeft verstaan dan een overeenkomst.
26. Subonderdeel 2.3 betoogt in de eerste plaats (onder 2.3.1 t/m 2.3.5) dat - kort gezegd - het Hof onvoldoende grond had om te komen tot een andere peildatum dan de datum van verdeling. Met name zijn, anders dan het Hof heeft geoordeeld, partijen niet overeengekomen een gezamenlijke taxatie te doen verrichten en, zo al, dan vloeit daaruit niet (zonder meer) voort dat partijen zijn overeengekomen zich aan de uit te brengen taxatie te houden, noch dat partijen een andere peildatum dan de datum van verdeling zijn overeengekomen, aldus het subonderdeel.
27. Voor zover dit betoog ertoe strekt dat het oordeel van het Hof onjuist is, faalt het. 's Hofs oordeel berust op zijn uitleg van hetgeen partijen blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal tijdens de op 7 april 1998 gehouden comparitie hebben verklaard overeen te komen. Dat oordeel kan, feitelijk als het is, in cassatie op juistheid niet worden getoetst. Dat het Hof bij zijn uitleg van hetgeen partijen zijn overeengekomen een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, wordt door het subonderdeel niet aangevoerd.
28. Voor zover het betoog ertoe strekt dat het oordeel van het Hof onbegrijpelijk is, kan het m.i. evenmin doel treffen. 's Hofs oordeel komt erop neer dat nu partijen beiden hebben verklaard erin toe te stemmen dat de woonboerderij wordt getaxeerd naar de waarde per taxatiedatum, daarin besloten ligt dat zij ook erin hebben toegestemd zich bij de verdeling aan die taxatie per taxatiedatum te houden. Deze uitleg van hetgeen partijen ter comparitie zijn overeengekomen, is, nu partijen blijkens het proces-verbaal geen voorbehoud of voorwaarde aan hun toestemming hebben verbonden, niet onbegrijpelijk. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat, ook indien een andere uitleg denkbaar is of zelfs meer voor de hand ligt, dit het oordeel van het Hof nog niet onbegrijpelijk maakt. Dat de man in het schriftelijk debat na de comparitie alsnog een voorbehoud heeft gemaakt, behoefde, anders dan het subonderdeel kennelijk wil, het Hof niet van zijn oordeel te weerhouden. Nu immers naar 's Hofs oordeel partijen ter comparitie zijn overeengekomen om zich bij de verdeling aan de taxatie per taxatiedatum te houden, kon de man naderhand deze overeenkomst niet eenzijdig wijzigen of daarvan zonder de toestemming van de vrouw terugkomen.
29. Het subonderdeel betoogt in de tweede plaats (onder 2.3.6 en 2.3.7) dat, indien het Hof mocht hebben geoordeeld dat de afspraak ter comparitie omtrent de taxatie impliceert dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat van de datum van de verdeling als peildatum voor de waardebepaling kan worden afgeweken, 's Hof oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende is gemotiveerd.
30. Dit betoog mist feitelijke grondslag en faalt dus. 's Hofs oordeel dat in het onderhavige geval een andere peildatum dient te worden aangehouden dan de datum van verdeling berust niet op de redelijkheid en billijkheid, maar op een door het Hof aangenomen, daartoe strekkende partijafspraak.
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest van het Gerechtshof te Amsterdam en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.