ECLI:NL:PHR:2004:AO0603
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling wegens aannemen betaling door cessie vordering failliet ter bedrieglijke verkorting schuldeisersrechten
In deze zaak is verzoeker, bestuurder van een vennootschap, veroordeeld wegens het aannemen van een betaling door middel van de cessie van een vordering van een failliete vennootschap op de Belastingdienst. De betaling vond plaats in het vooruitzicht van het faillissement van de schuldenaar, waardoor de rechten van andere schuldeisers werden verkort.
De kern van het geschil betrof of op het moment van de cessie een bestaande vordering op de Belastingdienst bestond en of de cessie rechtsgeldig was. De verdediging stelde dat de vordering pas later was ontstaan en dat de cessie van een toekomstige vordering niet rechtsgeldig was zonder instemming van de Belastingdienst, zoals voorgeschreven in art. 24 Invorderingswet Pro 1990.
De Hoge Raad oordeelde dat de vordering op het moment van de cessie wel bestond en dat de cessie door ontvangst van de akte door verzoeker was aanvaard, ook al was de mededeling aan de debiteur (Belastingdienst) later. Het verweer dat de cessie niet rechtsgeldig was, werd verworpen. Tevens werd geoordeeld dat het hof niet hoefde te beslissen op het verweer dat de tenlastelegging nietig zou zijn, omdat het verweer niet tot cassatie kon leiden.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het arrest van het hof dat verzoeker veroordeelde tot een voorwaardelijke gevangenisstraf, taakstraf en geldboete wegens faillissementsfraude door het aannemen van betaling via cessie.
Uitkomst: Verzoeker is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf, taakstraf en geldboete wegens faillissementsfraude door aannemen betaling via cessie.