ECLI:NL:PHR:2004:AO0624
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Strafbaarheid van gekopieerde tankpassen als betaalpassen volgens art. 232 Sr en uitlevering aan Duitsland
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de Rechtbank Utrecht die de uitlevering van verzoeker aan Duitsland ter vervolging wegens fraude met gekopieerde tankpassen toelaatbaar heeft verklaard. Verzoeker werd verdacht van deelname aan een criminele organisatie die tankkaarten kopieerde en deze gebruikte om op bedrieglijke wijze te tanken.
De verdediging voerde aan dat een tankpas geen betaalpas of waardekaart is in de zin van art. 232 Sr Pro, omdat er geen directe betaling plaatsvindt en de pas niet op naam van een persoon is gesteld. De rechtbank en de Hoge Raad verwierpen dit verweer en oordeelden dat tankpassen wel degelijk als betaalpassen kunnen worden aangemerkt omdat zij bestemd zijn voor elektronische betalingen en gekoppeld zijn aan een specifieke rekening.
Daarnaast werd betoogd dat de uitlevering ten onrechte mede toelaatbaar is verklaard voor een feit dat strafbaar is gesteld in art. 140 Sr Pro, maar de Hoge Raad oordeelde dat de gedragingen van verzoeker naar Nederlands recht als deelneming aan een criminele organisatie kunnen worden aangemerkt, wat overeenkomt met de Duitse strafbepaling.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de toelaatbaarheid van de uitlevering en de strafbaarheid van het gebruik van gekopieerde tankpassen volgens art. 232 Sr Pro.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de strafbaarheid van gekopieerde tankpassen en de toelaatbaarheid van de uitlevering aan Duitsland.