ECLI:NL:PHR:2004:AO0955
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over niet-tijdige aanvaarding aanbod pre-pensioen en gevolgen wederzijdse dwaling
De zaak betreft een werknemer die in de onjuiste veronderstelling verkeerde dat hij tot zijn vijfenzestigste jaar kon doorwerken, terwijl op grond van de CAO zijn dienstverband per 1 januari 2002 van rechtswege eindigde. De werkgever deed twee voorstellen tot beëindiging van de dienstbetrekking met pre-pensioen en een projectuitvoering ter compensatie van inkomensverlies. De werknemer wees het eerste voorstel af en accepteerde het tweede niet binnen de gestelde termijn van veertien dagen. De werkgever trok het aanbod in.
De werknemer vorderde in kort geding nakoming van de overeenkomst, stellende dat de werkgever hem niet had geïnformeerd over de beëindiging van het dienstverband en dat sprake was van wederzijdse dwaling. De rechtbank oordeelde in eerste aanleg dat de overeenkomst tot stand was gekomen, maar het hof vernietigde dit en wees de vordering af. Het hof overwoog dat het aanbod niet tijdig was aanvaard en dat de intrekking van het aanbod niet onaanvaardbaar was, ook al verkeerde de werknemer in een onjuiste veronderstelling die voor rekening van de werkgever kwam.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat een aanbod herroepelijk is zolang het niet is aanvaard en dat het niet tijdig aanvaarden van het aanbod ertoe leidt dat er geen overeenkomst tot stand komt. Ook acht de Hoge Raad het niet onaanvaardbaar dat de werkgever zich op de niet-tijdige aanvaarding beroept, mede omdat de werkgever zelf niet op de hoogte was van de CAO-bepaling. De stelling dat de werkgever in strijd met art. 7:655 BW Pro handelde leidt niet tot toewijzing van de vordering. Het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het aanbod van de werkgever niet tijdig is aanvaard en dat de vordering van de werknemer wordt afgewezen.