ECLI:NL:PHR:2004:AO0967
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over het vereiste van feitelijk wonen voor het huisrecht bij kraken
In deze zaak ging het om de vraag of krakers die kortstondig een pand hadden betrokken, aanspraak konden maken op huisrecht zoals beschermd door artikel 12 van Pro de Grondwet en artikel 138 Sr Pro. De krakers hadden een leegstaand pand gekraakt en enige huisraad binnengebracht, maar werden vrijwel direct door de politie betrapt en aangehouden. Zowel de rechtbank als het hof oordeelden dat het verblijf te kort was om van wonen te spreken en dat het voortdurende politieoptreden het ontstaan van een huisrecht verhinderde.
De Hoge Raad bevestigde deze beoordeling en benadrukte dat het begrip 'wonen' niet louter gebaseerd kan zijn op de intentie om te wonen of het binnentreden met enige woonattributen. Er moet sprake zijn van feitelijke uitoefening van woonactiviteiten in een privéruimte die ongestoord kan worden gebruikt. De bescherming van de persoonlijke levenssfeer die het huisrecht beoogt, vereist een zekere duur en inhoud van het verblijf.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee dat de krakers geen huisrecht konden ontlenen aan hun korte en door politieonderbreking verstoorde verblijf. Dit arrest verduidelijkt het vereiste van feitelijk wonen als voorwaarde voor het huisrecht, met name in situaties van kraken.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat feitelijk wonen en ongestoord verblijf ontbreken voor het ontstaan van huisrecht.