ECLI:NL:PHR:2004:AO0972
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid van verkoper kasgeldvennootschap voor vennootschapsbelasting na aandelenverkoop
De zaak betreft de aansprakelijkheid van De Gallantijnse Waard B.V. voor vennootschapsbelasting die verschuldigd was door de vennootschap [A] B.V., waarvan zij aandelen had verkocht. Na de verkoop werd de onderneming van [A] gestaakt en haar bezittingen grotendeels onttrokken, waardoor de vennootschapsbelasting niet werd voldaan.
De Ontvanger van de Belastingdienst stelde De Gallantijnse aansprakelijk op grond van artikel 40 Invorderingswet Pro 1990, omdat zij zou hebben geweten of behoord te weten dat de vennootschap na de aandelenverkoop leeggehaald zou worden. De Gallantijnse betwistte dit en voerde aan dat zij geen onderzoeksplicht had en niet wist van dergelijke intenties.
Het hof oordeelde aanvankelijk dat De Gallantijnse redelijkerwijs had moeten weten dat misbruik zou plaatsvinden, mede gelet op de koopprijs en de rol van haar belastingadviseur. De Gallantijnse mocht tegenbewijs leveren en slaagde daarin, waarna de vordering van de Ontvanger werd afgewezen.
De Hoge Raad bevestigt dat de wetgever met artikel 40 IW Pro 1990 een bewijslast bij de ontvanger heeft gelegd om te voorkomen dat aandelenverkoop onredelijk wordt belemmerd. Er is geen algemene onderzoeksplicht van de verkoper, en aansprakelijkheid vereist dat de verkoper wist of behoorde te weten dat de vennootschap zou worden leeggehaald. Toerekening van kennis van een belastingadviseur aan de verkoper geldt als een bewijsvermoeden, waartegen de verkoper zich kan verweren.
De Hoge Raad vernietigt het eindarrest wegens onvoldoende motivering waarom het hof het tegenbewijs van De Gallantijnse toereikend achtte, en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling.