ECLI:NL:PHR:2004:AO0973
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid van de fiscus tot waarnemingen ter plaatse en vertegenwoordiging bij controles volgens art. 50 AWR
In deze zaak staat centraal of de Staat, via de Inspecteur der directe belastingen, bij controles op grond van art. 50 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) rekening moet houden met de aanwezigheid van een gemachtigde van de tuinders en of de fiscus via de burgerlijke rechter nakoming van controleverplichtingen kan afdwingen.
De tuinders hadden medewerking aan controles geweigerd zolang hun gemachtigde niet effectief bijstand kon verlenen, ook ter plaatse. De rechtbank en het hof wezen hun vorderingen af en stelden de Staat in het gelijk. De Hoge Raad bevestigt dat art. 50 AWR Pro de fiscus een duidelijke bevoegdheid geeft tot waarnemingen ter plaatse en dat het feit dat belanghebbenden zich laten vertegenwoordigen geen beletsel vormt voor de uitoefening van deze bevoegdheid.
Voorts oordeelt de Hoge Raad dat de fiscus niet beperkt is tot de in de fiscale wetgeving genoemde sancties, maar ook andere handhavingsmiddelen, waaronder civielrechtelijke vorderingen tot nakoming, kan inzetten. Het beroep op niet-ontvankelijkheid wegens het instellen van cassatie in twee zaken met één dagvaarding wordt verworpen, mede omdat de zaken nauw met elkaar samenhangen en gelijktijdig zijn behandeld.
De Hoge Raad wijst de cassatieberoepen van de tuinders af en bevestigt de eerdere uitspraken dat de fiscus bevoegd is tot controle zonder dat de aanwezigheid van een gemachtigde vereist is en dat de burgerlijke rechter bevoegd is om nakoming van controleverplichtingen af te dwingen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de tuinders wordt verworpen; de fiscus is bevoegd tot waarnemingen zonder aanwezigheid van een gemachtigde en kan nakoming via de burgerlijke rechter afdwingen.