1 Zie HR 5 oktober 2001, NJ 2002, 514, m.nt. DA.
2 In het bestreden arrest wordt verwezen naar subalinea b, maar het lijkt mij duidelijk dat subalinea a wordt bedoeld.
3 Zie ook de conclusie voor HR 21 oktober 2001, alinea's 6-9. Ook een deel van het procesverloop heb ik overgenomen uit deze conclusie (toen alinea's 10 e.v.).
4 Prod. 1 bij de inleidende dagvaarding.
5 Prod. 1 bij de inleidende dagvaarding (dossier mr. Garretsen); prod. a bij de memorie van grieven.
6 Prod. 3 bij de conclusie van repliek.
7 Proces-verbaal van ontruiming, prod. 4 bij de conclusie van repliek.
8 Dit vonnis is gepubliceerd in WR 2000, nrs. 76 en 81 ("kop" en tekst zijn bij deze publicatie(s) met elkaar verwisseld).
9 Art. 402, lid 1, Rv.
10 Wet van 22 mei 2003, Stb. 218. Zie het daarin opgenomen art. 205 (dit artikelnummer heeft betrekking op de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek, waarin de nieuwe bepalingen van overgangsrecht krachtens de invoeringswet zijn opgenomen).
11 Ik verwijs voor nadere beschouwingen naar de alinea's 44 e.v. van de conclusie voor het in voetnoot 1 aangehaalde arrest, de daar aangehaalde vindplaatsen (èn de vindplaatsen waarnaar daar weer wordt verwezen - al is kennisneming daarvan voor de beoordeling van deze zaak niet strikt nodig). (Inmiddels zijn daaraan toe te voegen: Oldenhuis c.s., Hoofdlijnen in het huurrecht, 2003, p. 124 - 131; De Jonge, Nieuw huurrecht, 2003, p. 122 e.v.; T&C Huurrecht, 2003, Van de Hoek, art. 7:232, aant. 1 - 3; Asser - Abas 5-II, supplement 2001, nr. 110; Zuidema, Recht voor de huurder, 2001, p. 102). In de aangehaalde conclusie (in alinea 44) schreef ik al, dat bij de uitleg die (toentertijd) de rechtbank (evenals de kantonrechter, en inmiddels dus ook het hof) aan de rechtsverhouding van partijen had gegeven, en die erop neerkomt dat aan [eiseres] voor een bepaalde duur van ongeveer twee maanden woonruimte werd verstrekt in afwachting van andere huisvesting, toepassing van de in art. 7A:1623a lid 1 geformuleerde uitzondering in hoge mate in de rede lag.
12 Tegen het passeren van het bewijsaanbod (zie voor een herhaling van dat oordeel rov. 20, eerste volzin) wordt in cassatie niet opgekomen. Ik vermeld dat voor alle duidelijkheid, zonder de suggestie te willen oproepen dat een cassatieklacht op dit punt zinvol zou zijn geweest.
13 Van de vele beslissingen waaruit blijkt dat uitlegging van overeenkomsten in overwegende mate op feitelijke waardering/afweging berust noem ik HR 20 september 2002, rechtspraak.nl LJN nr. AE3385, rov. 3.4; HR 13 september 2002, rechtspraak.nl LJN nr. AE7940, rov. 3.3.2; HR 14 juni 2002, NJ 2002, 481, rov. 3.4.
14 In dit verband is overigens relevant dat het hof in rov. 10 heeft vastgesteld dat er géén hulp(verlening) door SCH aan [eiseres] tot stand is gekomen. Al daarom lag het in dit geval minder voor de hand om verband te leggen tussen de huurperiode en de hulpbehoefte van [eiseres]: [eiseres] behoorde niet tot degenen aan wie SCH de hulp verstrekte die SCH blijkens haar doelstellingen beoogt te verstrekken.
Daaraan hoeft (uiteraard) niet af te doen dat [eiseres], achteraf beschouwd, misschien wel aan hulpverlening behoefte had: er is nu eenmaal geen hulpverleningsrelatie tot stand gekomen.
15 Uit die motivering (rov. 14) is nog aan te halen, dat tegen de navolgende rov. uit het vonnis van de eerste aanleg:
"Dat het hier betreft gebruik van woonruimte dat naar zijn aard van korte duur is, volgt ook uit de bedoeling van partijen, nu hen voor ogen stond [eiseres] in afwachting van het op korte termijn ter beschikking komen van de (volgens [eiseres]) door haar gekochte woning, voor een korte periode - in totaal 18 november 1997 tot en met 5 februari 1998 - de woning te verhuren."
geen grief is gericht. Tegen deze vaststelling van het hof is ook geen (concrete) cassatieklacht gericht; en alleen deze overweging lijkt mij al voldoende om de beslissing van het hof te kunnen dragen.
16 Uit de stukken valt op te maken dat het op gedwongen tenuitvoerlegging is aangekomen. Ik denk dat het een feit van algemene bekendheid is dat daarvoor, o.a. met het oog op beschikbaarheid van de noodzakelijke ondersteuning, een wat langere voorbereidingstijd nodig pleegt te zijn.
17 Dit geldt zowel voor het "oude" Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering als voor de per 1 januari 2002 in werking getreden ingrijpend herziene versie van dat Wetboek. Ik kan daarom voorbijgaan aan de lastige vraag of art. VII van de Wet van 6 december 2001, Stb. 580, meebrengt dat op de pleidooien die in deze zaak hebben plaatsgehad het "oude" dan wel het "nieuwe" recht van toepassing is. Indachtig het feit dat na cassatie en verwijzing de daarvóór aanhangige instantie wordt voortgezet (Winters, De procedure na cassatie en verwijzing in civiele zaken, diss. 1992, p. 29) valt er voor beide opvattingen iets te zeggen.
18 Zie ook Asser in diens noot bij NJ 2002, 514. Asser noemt dit, op overigens plausibele gronden, een anomalie; maar dat doet er natuurlijk niet aan af dat de wet luidt zoals zij luidt.
Overigens kan men zich wel afvragen wat de zin is van het opmaken van een "uitgewerkt" proces-verbaal in de (zeer talrijke) zaken waarin aansluitend op een mondelinge behandeling een eindbeslissing wordt gegeven (zonder dat partijen van het proces-verbaal kennis kunnen nemen, laat staan daarop kunnen reageren), en waarin geen rechtsmiddelen worden aangewend. Zoals in de conclusie in de zaak met nummer C02/255HR (rechtspraak.nl LJN nr. AN9075) in alinea 9 sub a (voetnoot 8) wordt opgemerkt, vormt dit vermoedelijk de verklaring voor het, overigens te betreuren, feit dat het opmaken van een proces-verbaal in de praktijk zo vaak achterwege wordt gelaten.
19 Zie over de verhouding tussen inlichtingen die bij pleidooi naar aanleiding van vragen van de rechter worden verschaft, en verklaringen die bij gelegenheid van een inlichtingencomparitie worden afgelegd alinea 1 van de conclusie van A-G Ten Kate voor HR 15 februari 1991, NJ 1991, 341.
20 Zie hierover alinea's 4.7 - 4.8 van de conclusie van A-G Wesseling-Van Gent voor HR 18 april 2003, NJ 2003, 286 m.nt. Ma; en van de daar aangehaalde vindplaatsen bijvoorbeeld: HR 31 januari 1992, NJ 1992, 303, rov. 3.1; alinea's 5 en 6 van de conclusie van A-G Ten Kate voor HR 15 februari 1991, NJ 1991, 341; alinea 6 van de noot van Vranken bij HR 11 januari 1991, NJ 1991, 595 m.nt. JBMV; HR 30 december 1988, NJ 1989, 279, rov. 3; HR 18 mei 1984, NJ 1984, 514, rov. 3.5; HR 10 juni 1983, NJ 1984, 250 m.nt. WMK, rov. 3.1 - zie ook alinea's 19 - 24 van de conclusie vóór dit arrest; HR 24 december 1976, NJ 1977, 385, "O. allereerst omtrent het tweede middel". Uit deze bronnen blijkt dat het verzuim van het opmaken van een (deugdelijk) proces-verbaal als regel niet tot nietigheid van de daarop volgende beslissing leidt, al kan dat bij uitzondering het geval zijn (wat zich met name in zaken betreffende vrijheidsbeneming wegens geestesstoornis kan voordoen). Wel kan het ontbreken van een proces-verbaal meebrengen dat de motivering van een beslissing die naar niet nader aangeduide vaststellingen bij gelegenheid van de mondelinge behandeling verwijst, als onvoldoende (controleerbaar) moet worden aangemerkt. Een klacht van die strekking is echter in de onderhavige zaak niet aan de orde.
Ik merk op dat T&C Burgerlijke Rechtsvordering, 2002, Van Mierlo, art. 279, aant. 7, slot, van een andere opvatting lijkt uit te gaan.
21 HR 14 maart 1986, NJ 1986, 528; HR 11 november 1977, NJ 1978, 503.
22 De steller van het middel zal hier mogelijk tegenwerpen dat het vermelden van bij de pleidooien te berde gebrachte vragen/antwoorden die niet in het proces-verbaal zijn vastgelegd geen zin zou hebben, omdat voor de betreffende stellingen feitelijke grondslag in de gedingstukken zou ontbreken (zoals wordt gesignaleerd in de al eerder aangehaalde noot van Asser bij NJ 2002, 514; zie ook diens Civiele cassatie, 2003, p. 40). Ik houd er inderdaad rekening mee dat dit argument aan een middel dat wèl de door mij bedoelde verwijzingen bevat, zou kunnen worden tegengeworpen; maar ik zie niet in dat dat er aan afdoet, dat een middel dat over wezenlijke vormverzuimen klaagt, moet aangeven in welk opzicht de desbetreffende partij door het ingeroepen verzuim is benadeeld, en anders bij gebrek aan kenbaar belang moet stranden.