1 Ontleend aan het bestreden arrest van 16 mei 2002, r.ovv. 4.2.1-4.2.3 en 4.2.5.
2 In rov. 4.2.1 staat dat NatWest de overmaking heeft gedaan 'ter uitvoering van deze opdracht'. Dit kan het misverstand doen ontstaan dat het (toch) om betaling in opdracht van Camomille zou zijn gegaan. Uit rov. 4.3.2, waarover hieronder nader, blijkt evenwel dat het hof daarvan juist niet uitgaat (immers uitgaat van: uitvoering door NatWest van een valse opdracht).
3 De cassatiedagvaarding dateert van 16 augustus 2002.
4 De passages zijn opgenomen in het onderdeel 'De feiten' van de MvG.
5 Zie over girale betaling bijv. Asser-Hartkamp 4-I (2000), nrs. 516-517; Verbintenissenrecht (Rank), art. 6:114, nrs. 4 en 6; H.C.F. Schoordijk, Het algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht naar het Nieuw Burgerlijk Wetboek, 1979, pp. 286-304; F.H.J. Mijnssen, Geld in het vermogensrecht, Mon. NBW nr. A17, 1984, pp. 45-83; J.W.H. Blomkwist, Het girale betalingsverkeer, WPNR 5845 (1987), pp. 547-554 (met een handig kort overzicht van alternatieve constructies op p. 551 r.k.); F.H.J. Mijnssen, De rekening-courantverhouding, 1995, pp. 94-107; W.A.K. Rank, Geld, geldschuld en betaling, 1996, pp. 169-293 en R.E. van Esch, Giraal betalingsverkeer/Elektronisch betalingsverkeer, 2e druk 2001.
6 Natuurlijk zou men nog veel verder kunnen teruggaan, maar dat lijkt mij in het kader van deze conclusie niet nodig.
7 De MvA doelt op het artikel van Blomkwist in WPNR 5845 (1987), pp. 547-554, waarin de auteur ook het ABN/Allectric-arrest becommentarieerde.
8 Van Esch, a.w. (2001), pp. 117-118, schaart zich kennelijk geheel achter het standpunt van de minister. R.D. Vriesendorp in Spier c.s., Verbintenissen uit de wet en schadevergoeding, 3e druk 2003, nr. 292, p. 294 schrijft onder rechtstreekse verwijzing naar het ABN/Allectric-arrest: 'De bank [...] vervult slechts de functie van intermediair, "boodschapper". Dit betekent dat de bank noch als ontvanger, noch als prestant in het kader van onverschuldigde betaling kan worden aangemerkt.' Vergelijk ook Schoordijk, noot bij HR 26 januari 2001 (ING/Standard), NTBR 2001, p. 310 (311), die, zonder te verwijzen naar het ABN/Allectric-arrest en/of het aangehaalde standpunt van de minister, stelt dat een bank die een ongeldige (de vereiste handtekening ontbreekt) opdracht uitvoert, jegens de begunstigde slechts een 'rechtstreekse verrijkingsvordering' heeft.
Overigens opteert Schoordijk - in een eerdere publicatie - in een geval waarin de begunstigde samenspant met de vervalser wél voor een actie van de bank uit onverschuldigde betaling: zie zijn monografie Onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking bij zogenaamde driehoeksverhoudingen (1999), pp. 84-85. Daarbij is in Schoordijk's constructie evenwel beslissend dat in geval van bedrog (mede) door de begunstigde, aan de begunstigde geen derdenbescherming toekomt.
9 Mijnssen, a.w. (1984), p. 69: 'De giro-instelling zal wel een vordering wegens onverschuldigde betaling hebben indien zij zonder geldige opdracht een overboeking verrichtte terwijl de begunstigde geen vordering op degene, in wiens naam de overboeking geschiedde, had. Er is dan geen sprake van dat een giro-instelling een schuld van een derde voldeed zodat artikel 6.1.6.4 (art. 1418) buiten toepassing blijft. In dat geval was het de giro-instelling die onverschuldigd betaalde, niet haar cliënt in wiens opdracht zij verklaard had dat te doen. Ingevolge art. 6.4.2.1 komt de vordering uit onverschuldigde betaling dan aan de giro-instelling toe.'
10 Scheltema betoogt dat de situatie waarin de bank een fout maakt, gelijkgesteld moet worden met een betaling door een derde uit eigen beweging, nu de vermeende opdrachtgever in deze gevallen op geen enkele wijze bij de betaling betrokken is: M.W. Scheltema, Onverschuldigde betaling, 1997, pp. 101 en 102.
11 Zie ook een tweede artikel van Blomkwist: Het girale betalingsverkeer opnieuw bezien, in WPNR 6004 (1991), pp. 299-303.
12 Zie Asser-Hartkamp 4-III (2002), nr. 359, p. 363: 'Indien onverschuldigd is betaald in het kader van een girale betaling (men denke aan het geval dat tussen de opdrachtgever en de ontvanger van de betaling geen geldige verbintenis bestaat), heeft de giro-instelling die de overschrijving verrichtte geen vordering uit onverschuldigde betaling, aangezien niet zij maar de opdrachtgever geldt als degene die de betaling heeft verricht.' T.a.p. wordt verwezen naar nr. 330 in deze zelfde uitgave, alsmede naar Asser-Hartkamp 4-I (2000), nr. 516 i.f.
Aldaar is te lezen: 'Een girale betaling (...) levert een geldige betaling op, en wel een betaling rechtstreeks door de schuldenaar aan de schuldeiser. (...) De giro-instelling is in beginsel niet als vertegenwoordiger noch als derde (...) aan te merken; de tussen schuldeiser en schuldenaar bestaande rechtsverhouding is bepalend voor de vraag of er een rechtsgrond voor de betaling bestaat. Voorts betekent dit bijv. dat indien een betaling bij gebreke van een tussen partijen bestaande rechtsgrond onverschuldigd blijkt te zijn geschied, aan de giro-instelling die in opdracht van de debiteur de overschrijving verrichtte, geen vordering uit onverschuldigde betaling toekomt (...)'.
Indien de door mij gecursiveerde woorden in de laatst geciteerde passage inderdaad in beperkende zin mogen worden opgevat, geeft die passage steun aan het in deze conclusie verdedigde standpunt.
13 Rank, a.w. (1996), p. 271 betoogt dat, in de situatie dat slechts één bank bij de girale betaling is betrokken, de bank die zonder geldige opdracht een overboeking tot stand brengt, naast een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking een vordering uit onverschuldigde betaling toekomt, nu de bank, in tegenstelling tot hetgeen de minister naar voren brengt (in MvA I Inv. boeken 3, 5 en 6, p. 1220), wel degelijk een prestatie rechtstreeks jegens de begunstigde heeft verricht. In het geval dat er twee banken bij de betaling zijn betrokken, schaart Rank zich evenwel achter het standpunt van de minister.
14 Onder nr. 2.2 heb ik het feit vermeld dat de overmaking van f 212.037,10 aan Gems effectloos is gebleven.