1 Ontleend aan het tussenvonnis van de kantonrechter te Haarlem van 14 maart 2001, waarnaar de rechtbank in rov. 4.2 verwijst.
2 De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 19 november 2002.
3 Zie over kennelijk onredelijk ontslag Losbladige Arbeidsovereenkomst (A.M. Luttmer-Kat), art. 7:681; L.H. van den Heuvel, De redelijkheidstoetsing van ontslagen, 1983, pp. 69-83; H. Naber, Ontslagrecht in Nederland, 1983, pp. 277-298; A. Hoffmans, De kennelijk onredelijke beëindiging: stilstand of dynamiek?, Sociaal Recht 1991, pp. 45-49; Asser-Kortmann-De Leede-Thunnissen 5-III, 1994, nrs. 410-417; L.H. van den Heuvel, Ontslagrecht, 1996, pp. 66-75 en 81-84; J.J.M. de Laat, De cirkel is weer rond, Sociaal Recht, 1998, pp. 14-19; R. van de Water, Van kennelijk onredelijk ontslag naar onredelijk ontslag, Sociaal Recht 1998, pp. 8-10; Van der Grinten, Arbeidsovereenkomstenrecht, 20e druk 2002, pp. 341-354; L.H. van den Heuvel, Zijn wij wel klaar voor een nieuw ontslagrecht?, SMA 2002, pp. 235-244; C.G. Scholtens, Kennelijk-onredelijk-ontslagvergoedingen 1992-2001, verschil moet er zijn (?), ArbeidsRecht 2002, pp. 3-14 en Bakels/Asscher-Vonk/Fase, Schets van het Nederlands arbeidsrecht, 17e druk 2003, pp. 154-159.
4 HR 17 oktober 1997, NJ 1999, 266 m.nt. PAS, JAR 1997, 245 (Schoonderwoert).
5 Toen: art. 1639s BW. Zie Losbladige Arbeidsovereenkomst (A.M. Luttmer-Kat), art. 7:681, nrs. 2-3; A. Bockwinkel, De verwatering van het kennelijk onredelijk ontslag, SMA 1976, pp. 157-159; Van de Water, a.w. Sociaal Recht 1998, p. 9; G.C. Boot, Ontslagvergoedingen: grondslag, vormen en toekomst, SMA 1999, p. 408; L.H. van den Heuvel, Vereenvoudiging van het ontslagrecht, SMA 2000, p. 363; Van den Heuvel, a.w. SMA 2002, p. 236 en Bakels/Asscher-Vonk/Fase, a.w., p. 155.
6 Stb. 1953, 619, nr. 4. p. 11 en nr. 6, p. 8.
7 Vgl. Van den Heuvel, a.w. SMA 2000, pp. 363-364 en Van den Heuvel, a.w. SMA 2002, p. 236.
8 HR 4 januari 1976, NJ 1977, 98 (Derksen).
9 Schoonderwoert-arrest. In de Parlementaire geschiedenis is gesproken van 'een pleister op de wonde', zie MvA bij w.v. 881 (Kamerstukken II 1951-1952), nr. 6, p. 8, leidend tot de wet van 17 december 1953, Stb. 619.
10 Sinds de invoering van titel 10 van Boek 7 BW wordt gesproken van 'schadevergoeding' in plaats van van een 'billijke vergoeding'. Uit de Parlementaire geschiedenis kan echter worden opgemaakt dat met deze wijziging geen inhoudelijke aanpassing is beoogd, zie MvT bij w.v. 23 438 (Kamerstukken II 1993-1994), nr. 3, p. 51, leidend tot de wet van 6 juni 1996, Stb. 1996, 406, nr. 3, p. 51.
11 MvT bij w.v. 881 (Kamerstukken II 1947-1948), nr. 3, p. 10, leidend tot de wet van 17 december 1953, Stb. 619. Zie ook HR 20 maart 1992, NJ 1992, 495, JAR 1992, 11 (Nedlloyd/Bras Monteiro).
12 Zie Van der Grinten, a.w., p. 352.
13 HR 17 oktober 1997, NJ 1999, 266, JAR 1997, 245 (Schoonderwoert).
14 HR 3 september 1993, NJ 1993, 715, JAR 1993, 223 (Korzelius/Houtunie) en HR 17 oktober 1997, NJ 1999, 266, JAR 1997, 245 (Schoonderwoert).
15 Gepubliceerd in o.m. (bijlage bij) ArbeidsRecht 1996, afl. 11. Zie voor de aanvullingen/wijzigingen van 17 april 1998: ArbeidsRecht 1998, afl. 5 (katern). Zie voor een overzicht van uitspraken (over de periode 1997-2001) waarin aansluiting is gezocht bij de kantonrechtersformule: Scholtens, ArbeidsRecht 2002, p. 4. Zie ook het jurisprudentieoverzicht in Losbladige Arbeidsovereenkomst (A.M. Luttmer-Kat), art. 7:681, nr. 12. In de literatuur is deze ontwikkeling veelvuldig ter sprake gekomen: Luttmer-Kat t.a.p.; C.G. Scholtens en L.J. Harmsma, De (schade)vergoeding van 7A:1639s BW en 7A:1639w BW: appels en peren, ArbeidsRecht 1996, nr. 12, pp. 7-11; G.C. Boot, De Aanbevelingen één jaar later en hoe nu verder met het kennelijk onredelijk ontslag, Sociaal Recht 1998, pp. 6-7; A.Ph.C.M. Jaspers, De kantonrechtersformule: een succes van de praktijk?!, Sociaal Recht, 1998, p. 3; De Laat, a.w. Sociaal Recht, 1998, p. 18; A. Schellart en R.S. van Coevorden, Is verandering van omstandigheden kennelijk onredelijk?, Sociaal Recht 1998, pp. 10-14; Van de Water, a.w. Sociaal Recht 1998, pp. 8-10; Boot, a.w. SMA 1999, p. 408; F.B.J. Grapperhaus e.a., Afvloeiingsregelingen in het arbeidsrecht, Monografieën Sociaal recht 8, 1999, pp. 11-12 en 200-203; P.F. van der Heijden en G.J.J. Heerma van Voss, Kroniek van het sociaal recht, NJB 1999, pp. 1478-1479; C.G. Scholtens, Systematiek ontslagrecht en afvloeiingsregelingen, ArbeidsRecht 1999, nr. 11, p. 21; Van den Heuvel, a.w. SMA 2000, p. 364; Van der Grinten, a.w., p. 353; Scholtens, a.w. ArbeidsRecht 2002, pp. 3-14; H.Th. van der Meer, Kantonrechters tevreden over kantonrechtersformule, een evaluatie (...), ArbeidsRecht 2003, p. 3 en D.J. Buijs, Ontslagvergoedingen: de stand van zaken, Sociaal Recht 2003, pp. 258-270 (263, 268).
16 Vaak wordt in dat geval met een in acht genomen opzegtermijn rekening gehouden.
17 Zie Van der Meer, a.w. ArbeidsRecht 2003, op pp. 6-7. Zie ook Buijs a.w. Sociaal Recht 2003, op p. 263 en p. 268.
18 In de kantonrechtersformule (A x B x C) staat A voor het aantal gewogen dienstjaren op het tijdstip van ontbinding, B voor de beloning, en C voor een correctiefactor (doorgaans tussen 0,5 en 2).
19 Zie bijv. Ktg. Hilversum 6 november 1996, JAR 1997, 92; Rb. Rotterdam 13 maart 1997, JAR 1997, 99; Rb. Zwolle 14 mei 1997, JAR 1997, 208; Hof 's-Gravenhage 8 april 1999, JAR 1999, 161; Hof Amsterdam 20 mei 1999, JAR 1999, 146; Ktg. 's-Hertogenbosch 17 februari 2000, JAR 2000, 70; Ktg. Utrecht 17 mei 2000, JAR 2000, 187; Rb. 's-Gravenhage 25 september 2002, JAR 2002, 258; Ktg. Alkmaar 4 december 2002, JAR 2003, 1 en Ktg. Zutphen 25 februari 2003, JAR 2003, 100. Zie evenwel voor een uitgebreide motivering Rb. Utrecht 23 december 1998, JAR 1999, 39; Rb. Zwolle 29 september 1999, JAR 2000, 15 en Rb. Middelburg 28 juni 2000, JAR 2000, 161.
20 Zie nader Losbladige Arbeidsovereenkomst (Luttmer-Kat), art. 7:681, nr. 5; P.F. van der Heijden, Ontslag: handdruk verplicht, AA 1996, pp. 687-688; F.B.J. Grapperhaus, Dwaalwegen bij einde dienstverband, Sociaal Recht 1997, p. 78; Schellart en Van Coevorden, a.w. Sociaal Recht 1998, p. 11; Boot, a.w. SMA 1999, p. 415; plv. P-G Mok in zijn conclusie voor HR 22 februari 2002, NJ 2002, 260 (Wagenmakers/Van Bruggen) onder 3.2.5 en Bakels/Asscher-Vonk/Fase, a.w., p. 158. Zie daarentegen voor een vonnis waarin de rechter op opvallende wijze korte metten maakte met de stelling van de werknemer dat het enkele ontbreken van een vergoeding bij opzegging van het dienstverband, die opzegging kennelijk onredelijk doet zijn: Ktg. Enschede 17 juni 1999, JAR 1999, 139 ('arbeidsovereenkomst is geen spaarzegelkaart').
21 HR 22 februari 2002, NJ 2002, 260 (Wagenmakers/Van Bruggen).
22 CvA, sub 3.
23 CvR, sub 5.
24 CvD, sub 2.
25 Ik spreek dan nog niet over de vraag of van de ex-werknemer wel voldoende ondernemerscapaciteiten mogen worden verwacht om het aanbod tot overdracht van de onderneming realistisch te doen zijn.
26 Of, vergelijkbaar: dat de ex-werknemer vrij is om daags na de overdracht aan hem, tot een (reeds voorbereide) verdere overdracht aan een derde over te gaan.
27 De hier tussen haakjes geplaatste woorden staan (zonder haakjes) met zo veel woorden in het probandum van het tussenvonnis van de kantonrechter, maar zijn in rov. 4.4 van het vonnis van de rechtbank weggevallen.
28 Door [verweerder] is bij MvG onder grief I gesteld dat het ongeval had geresulteerd in een schedelbasisfractuur, en door [eiser] is zulks niet bestreden.
29 Tegen de bewijswaardering zijn door [verweerder] de grieven III en IV gericht, waaraan de rechtbank (nog) niet behoefde toe te komen.