ECLI:NL:PHR:2004:AO1304
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing en grenzen van de globalisatieregeling bij overdracht van onderneming in de margeregeling omzetbelasting
Belanghebbende was mede-eigenaar van een garage en nam per 1 november 1998 het E-dealerschap van een andere onderneming over, inclusief inventaris en voorraad gebruikte auto's. De overnamevergoeding voor de marge-auto's werd als marge-inkoop opgegeven, maar de inspecteur corrigeerde dit en legde een naheffingsaanslag op. Belanghebbende maakte bezwaar en ging in beroep bij het Hof, waarbij de vraag centraal stond of de overgenomen voorraad als marge-inkoop kon worden aangemerkt.
De zaak spitst zich toe op de toepassing van artikel 31 Wet Pro OB en de globalisatieregeling binnen de margeregeling omzetbelasting. De globalisatieregeling maakt het mogelijk marges over een aangiftetijdvak te salderen, inclusief negatieve marges, maar bij overdracht van een onderneming vervallen deze negatieve marges. Dit leidt tot discussie over de rechtmatigheid van deze regeling en de vraag of deze in overeenstemming is met de Zesde richtlijn.
De conclusie van de Advocaat-Generaal pleit voor aanhouding van de zaak totdat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen prejudiciële vragen heeft beantwoord over de uitleg en toepassing van de Zesde richtlijn, met name over de substitutieregel en de uitsluiting van negatieve marges bij overdracht.
De conclusie bevat een uitgebreide analyse van de communautaire en nationale regelgeving, de geschiedenis van de globalisatieregeling, de beperkingen van de carry-forwardregeling, en de spanning tussen nationale maatregelen en Europese richtlijnen. De conclusie benadrukt de noodzaak van rechtszekerheid en het voorkomen van ongerechtvaardigde voordelen of schade voor belastingplichtigen.
De Hoge Raad acht het van belang dat het HvJ EU de vraag beantwoordt of de nationale regeling die negatieve marges uitsluit van de substitutie in overeenstemming is met de Zesde richtlijn, en of lidstaten de vrijheid hebben om dergelijke beperkingen op te leggen in het kader van de margeregeling.
Uitkomst: De Hoge Raad heeft de zaak aangehouden en geadviseerd prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.