ECLI:NL:PHR:2004:AO1712
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatig geweldgebruik politie bij onderzoek aan lichaam wegens Opiumwetmisdrijf
In deze zaak werd een verdachte veroordeeld wegens wederspannigheid nadat hij bolletjes drugs in zijn mond had en de politie hem bij de keel greep om het doorslikken te voorkomen. Het hof had vastgesteld dat er ernstige bezwaren bestonden op grond van de Opiumwet die een onderzoek aan het lichaam rechtvaardigden.
De verdachte stelde in cassatie dat het geweld bij het vastpakken bij de keel niet rechtmatig was, omdat daarvoor geen expliciete wettelijke grondslag zou bestaan en het geweld disproportioneel zou zijn. De Hoge Raad verwierp dit verweer en bevestigde dat het onderzoek aan het lichaam, waaronder het schouwen van de mondholte, destijds was toegestaan bij ernstige bezwaren.
De Hoge Raad benadrukte dat het geweldsgebruik door politie aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit moet voldoen. In deze zaak was het redelijk vermoeden van schuld geëvolueerd tot ernstige bezwaren, waardoor zwaardere middelen waren toegestaan. Het bij de keel grijpen was een adequaat en proportioneel middel om het doorslikken van de bolletjes te voorkomen.
De Hoge Raad concludeerde dat het verzet van de verdachte onrechtmatig was en dat het politieoptreden rechtmatig was. Het middel van cassatie faalde en de veroordeling wegens wederspannigheid bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het bij de keel grijpen door politie bij ernstige bezwaren op grond van de Opiumwet rechtmatig en proportioneel was.