ECLI:NL:PHR:2004:AO1863
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevestiging veroordeling voor feitelijk werkgeverschap bij illegale prostitutie in privéclub
De zaak betreft een veroordeling van verdachte wegens het laten verrichten van arbeid door illegale vreemdelingen in een privéclub, terwijl hij wist dat hun verblijf in Nederland wederrechtelijk was. De Rechtbank en het Hof hebben vastgesteld dat verdachte als voorzitter en feitelijk leidinggevende van de vereniging die de privéclub exploiteerde, de prostituees onder gezagsverhouding arbeid liet verrichten. Dit bleek uit zijn controle op paspoorten, het bepalen wie mocht werken, het bijhouden van administratie, het innen van betalingen en het uitbetalen van ongeveer de helft van de verdiensten.
Verdachte voerde in hoger beroep aan dat er geen sprake was van een arbeidsovereenkomst, maar slechts van kamerhuur, en dat prostitutie zelfstandige economische activiteit was zonder gezagsverhouding. De Hoge Raad oordeelde dat het feitelijk werkgeverschap niet afhangt van formele contracten maar van de feitelijke situatie en gezagsverhouding. Het beroep op een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen over zelfstandige prostitutie werd verworpen omdat niet aan de voorwaarden werd voldaan, met name omdat de beloning niet volledig en rechtstreeks aan de prostituees werd betaald.
De Hoge Raad concludeerde dat de bewezenverklaring voldoende is gemotiveerd en dat het cassatieberoep faalt. De strafoplegging door het Hof bleef in stand: zes maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met proeftijd, een werkstraf van 240 uur, en een geldboete van €18.000,-. Hiermee wordt het strafrechtelijk kader voor het aanpakken van illegale tewerkstelling van vreemdelingen in de prostitutie bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor feitelijk werkgeverschap bij illegale prostitutie en wijst het cassatieberoep af.