ECLI:NL:PHR:2004:AO1939
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Nakoming contractuele afvloeiingsregeling na nietig ontslag op staande voet
In deze zaak stond centraal of een werknemer, na de nietigverklaring van zijn ontslag op staande voet en ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter zonder vergoeding, alsnog nakoming kan vorderen van een in de arbeidsovereenkomst opgenomen afvloeiingsregeling die een vergoeding van twee jaarsalarissen bij beëindiging zonder dringende reden garandeert.
De werknemer was sinds 1971 in dienst en had sinds 1995 een leidinggevende functie. Hij werd op staande voet ontslagen wegens betrokkenheid bij een ongeoorloofde boekingsmethode die leidde tot belastingfraude. De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsrelatie, maar wees de vergoeding naar billijkheid af. De werknemer vorderde daarop nakoming van de contractuele afvloeiingsregeling.
De rechtbank stelde vast dat partijen de contractuele regeling in de ontbindingsprocedure onbesproken hadden gelaten en kende de vergoeding toe. De Hoge Raad bevestigde dat de exclusieve werking van de ontbindingsvergoeding niet uitsluit dat een werknemer een contractuele vergoeding kan vorderen, ook als de kantonrechter geen vergoeding toekende. De rechter in een later geding is niet gebonden aan het oordeel van de kantonrechter over dringende redenen.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat een contractuele afvloeiingsregeling niet nietig is omdat zij de discretionaire bevoegdheid van de kantonrechter beperkt. De rechter moet bij ontbinding rekening houden met zo’n regeling indien hij daarvan op de hoogte is. De wettelijke verhoging bij niet tijdige loonbetaling mocht gematigd worden, wat de Hoge Raad als discretionaire bevoegdheid bevestigde.
Uitkomst: De werknemer heeft recht op nakoming van de contractuele afvloeiingsregeling ondanks de ontbinding zonder vergoeding door de kantonrechter.