ECLI:NL:PHR:2004:AO1943
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over matiging loonvordering bij nietig ontslag op staande voet wegens arbeidsongeschiktheid
In deze zaak gaat het om een arbeidsconflict tussen twee zusters die een arbeidsovereenkomst hadden waarbij de eiseres als zweminstructrice werkte. Na ziekte en arbeidsongeschiktheid werd zij op staande voet ontslagen wegens vermeende werkweigering. De kantonrechter verklaarde het ontslag nietig en veroordeelde tot doorbetaling van loon. De rechtbank matigde echter de loonvordering tot 1 december 2000, verwijzend naar art. 7:680a BW, zonder voldoende motivering dat toewijzing tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank een onjuiste rechtsopvatting had omtrent haar bevoegdheid tot matiging en onvoldoende rekening hield met de omstandigheden waaronder matiging is toegestaan. De rechtbank ging ten onrechte uit van conversie van het ontslag in een geldig ontslag terwijl de werknemer volledig arbeidsongeschikt was en het opzegverbod tijdens ziekte van toepassing was.
De Hoge Raad benadrukt dat matiging slechts mogelijk is indien toewijzing van de loonvordering tot onaanvaardbare gevolgen leidt en dat de rechter terughoudend moet zijn en dit in zijn motivering moet onderbouwen. De zaak wordt vernietigd en verwezen voor verdere behandeling, waarbij ook de vraag of de arbeidsverhouding inmiddels rechtsgeldig is geëindigd aan de orde kan komen.
Uitkomst: Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd wegens onjuiste toepassing en motivering van de matiging van de loonvordering en de zaak wordt verwezen voor verdere behandeling.