ECLI:NL:PHR:2004:AO1962
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg en toepassing van artikel 2:207c BW inzake zekerheidsstelling en doorleenconstructies bij BV
In deze zaak staat de uitleg van artikel 2:207c van het Burgerlijk Wetboek centraal, dat regels bevat ter kapitaalbescherming van besloten vennootschappen (BV). De curator in het faillissement van [A] B.V. vordert nietigverklaring van financierings- en zekerheidsovereenkomsten met de Rabobank, stellende dat deze in strijd zijn met artikel 2:207c BW omdat zij betrekking hebben op leningen voor de aankoop van aandelen in de vennootschap.
De bank betwist dit en voert aan dat de lening niet uitsluitend diende ter dekking van de overnamelening en dat de zekerheden niet strekken tot zekerheid voor krediet aan derden maar aan de vennootschap zelf. De rechtbank wees de vordering van de curator af wegens onvoldoende stelplicht, en het hof bekrachtigde dit oordeel op andere gronden, met een ruime uitleg van artikel 2:207c BW.
De Hoge Raad bespreekt verschillende interpretaties van artikel 2:207c, waaronder een strenge, soepele en systematische benadering. De Raad sluit zich aan bij de soepele uitleg, waarbij zekerheidsstellingen voor eigen leningen die worden doorgeleend aan derden voor aandelenverwerving niet per definitie verboden zijn, mits aan de voorwaarden van lid 2 en 3 wordt voldaan. Tevens wordt geoordeeld dat het vereiste dat de statuten het verstrekken van leningen toestaan, niet strikt uitdrukkelijk hoeft te zijn, maar kan worden aangenomen indien de statuten dit niet verbieden.
De Hoge Raad verwerpt de cassatie en bevestigt dat de door het hof gehanteerde interpretatie van artikel 2:207c BW juist en redelijk is, waarmee de vordering van de curator wordt afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ruime uitleg van artikel 2:207c BW, waardoor de zekerheidsstelling en financieringsovereenkomsten geldig blijven.