ECLI:NL:PHR:2004:AO2714

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 maart 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02280/02
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 ROArt. 82 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling medeplegen zware mishandeling ondanks termijnoverschrijding en psychische overmacht

De zaak betreft een veroordeling door het Gerechtshof Amsterdam van verdachte wegens medeplegen van zware mishandeling op 23 april 1996, waarbij het slachtoffer ernstig letsel opliep. Verdachte werd veroordeeld tot 140 uur onbetaalde arbeid, een strafvermindering vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.

De verdediging voerde onder meer aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Het hof erkende de overschrijding, maar oordeelde dat de ernst van het feit en het belang van de maatschappij bij vervolging zwaarder wegen dan het belang van verdachte bij niet-ontvankelijkheid. De strafvermindering werd als passend beschouwd.

Daarnaast voerde de verdediging aan dat het bewezen verklaarde letsel niet als zwaar lichamelijk letsel kon worden aangemerkt en dat verdachte handelde onder psychische overmacht. De Hoge Raad verwierp deze middelen, oordeelde dat het letsel voldoende ernstig was en dat het beroep op psychische overmacht onvoldoende was onderbouwd. De cassatie werd verworpen en de veroordeling bevestigd.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte tot 140 uur onbetaalde arbeid wegens medeplegen van zware mishandeling ondanks overschrijding van de redelijke termijn en verwerpt het beroep op psychische overmacht.

Conclusie

Nr. 02280/02
Mr Fokkens
Zitting: 27 januari 2004
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam veroordeeld tot het verrichten van 140 uren onbetaalde arbeid ten algemenen nutte wegens "medeplegen van zware mishandeling".
2. Tegen deze uitspraak heeft verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr E.G. Al, advocaat te Nieuw-Vennep, drie middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel klaagt dat het Hof het Openbaar Ministerie ondanks overschrijding van de redelijke termijn ontvankelijk heeft verklaard.
5. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
"De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting gesteld dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Zij voert aan dat in deze zaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden, gelet op het tijdsverloop tussen de aanhouding van de verdachte en de behandeling in eerste aanleg en tussen het instellen van hoger beroep en de behandeling in hoger beroep. Zowel in de afzonderlijke instanties als in de strafprocedure als geheel hebben aanzienlijke schendingen plaatsgevonden. Er is hier sprake van een zodanig uitzonderlijk geval dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aldus de raadsvrouw.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Volgens de tenlastelegging heeft verdachte de hem verweten gedragingen gepleegd op 23 april 1996. Op 8 oktober 1996 is verdachte in verzekering gesteld. Op 11 oktober 1996 is de verdachte in vrijheid gesteld. De inleidende dagvaarding is uitgereikt op 15 maart 1999. Op 9 april 1999 vond het onderzoek ter terechtzitting van de rechtbank te Haarlem plaats. Op diezelfde datum is door de rechtbank uitspraak gedaan. Tegen dit vonnis is op 21 april 1999 door de verdachte appel ingesteld. De dagvaarding in hoger beroep is gedateerd 10 augustus 2001 en uitgereikt op 16 augustus 2001. In hoger beroep hebben terechtzittingen plaatsgevonden op 4 februari 2002 en 15 april 2002.
In aanmerking genomen de periode tussen 8 oktober 1996, de datum waarop vanwege de Staat door aanhouding van verdachte jegens hem een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat een vervolging tegen hem zou worden ingesteld, en 15 maart 1999, de datum waarop aan verdachte de inleidende dagvaarding is uitgereikt om te verschijnen ter terechtzitting in eerste aanleg van 9 april 1999, alsmede de periode tussen 21 april 1999, de datum waarop door verdachte hoger beroep is ingesteld, en de behandeling ter terechtzitting van dit hof op 4 februari 2002 en 15 april 2002, heeft de behandeling van de onderhavige zaak zowel elke periode afzonderlijk als de perioden gezamenlijk genomen niet plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM.
Het hof overweegt dat in een zaak waarin reeds veel tijd is verloren gegaan, bijzondere aandacht eraan dient te worden besteed dat het onderzoek voortvarend wordt voortgezet en verdere vertragingen uitblijven. Dit gold in deze zaak in versterkte mate, nadat de rechter in eerste aanleg op 9 april 1999 had vastgesteld dat de redelijke termijn toen reeds was overschreden. De toen overeenkomstig het voorgaande geboden bijzondere aandacht en voortvarendheid zijn niet in acht genomen.
Nu overigens niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die dit tijdsverloop zouden kunnen rechtvaardigen, moet worden geoordeeld dat de behandeling van de onderhavige zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
Enerzijds betreft het hier -op zichzelf gezien- geen ingewikkelde zaak. Anderzijds maakt de zaak wel deel uit van een omvangrijk feitencomplex. Bovendien gaat het om een zeer ernstig feit. Het hof is in het licht hiervan van oordeel dat bij afweging van het belang dat de maatschappij heeft bij verdere vervolging, ook nadat de redelijke termijn is overschreden, tegenover het belang dat de verdacht heeft bij niet verdere vervolging, het eerste belang dient te prevaleren. Dit betekent dat het beroep op niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen. Het hof zal echter bij de vaststelling van een eventueel op te leggen straf met de termijn overschrijding rekening houden."
6. Bij de strafoplegging heeft het Hof de naar zijn oordeel passende straf van 240 uren dienstverlening in plaats van 6 maanden gevangenisstraf verminderd tot 140 uren dienstverlening in plaats van 3 maanden gevangenisstraf.
7. Het oordeel van het Hof dat strafvermindering een passende sanctie is op de vastgestelde overschrijding, geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De behandeling in twee instanties heeft ongeveer vijf en een half jaar geduurd. Dat is geen geringe overschrijding, vandaar dat het Hof de straf fors heeft verminderd, met veel meer dan de bij een gewone overschrijding veelal toegepaste strafvermindering van ongeveer 10%. De overschrijding is echter niet zo exceptioneel dat de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie de aangewezen sanctie is. Het middel komt daar vergeefs tegen op (vgl. HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 m.nt. JdH).
8. Het tweede middel klaagt dat het Hof ten onrechte tot bewezenverklaring van het zwaar lichamelijk letsel is gekomen.
9. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
"hij op 23 april 1996 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander aan een persoon te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel: kaakbreuk, ribkneuzingen en hersenletsel, heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen tegen diens hoofd, nek en armen te schoppen en te slaan".
10. In een nadere bewijsoverweging heeft het Hof ten aanzien van het bewezenverklaarde zwaar lichamelijk letsel het volgende overwogen:
"De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting, voorzover hier van belang, aangevoerd dat de verdachte aan [slachtoffer] niet opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Volgens de raadsvrouw heeft verdachte geen opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en is voorts niet bewezen dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel was toegebracht. Het hof overweegt naar aanleiding hiervan het volgende.
(...)
Voorts overweegt het hof:
-dat [slachtoffer] suf en nauwelijks aanspreekbaar was;
-dat [slachtoffer] een lichte hersenbloeding, een kaakfractuur en gekneusde ribben bleek te hebben;
-dat [slachtoffer] twee weken in het ziekenhuis heeft gelegen;
-dat [slachtoffer] een maand na het incident nog steeds pijn aan zijn ribben en een dood gevoel in zijn handen had. Dat [slachtoffer] toen nog steeds moeilijk liep.
Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat verdachte en zijn mededader [slachtoffer] zodanig belangrijk lichamelijk letsel hebben toegebracht, dat dat naar gewoon spraakgebruik als zwaar moet worden aangeduid.
De raadsvrouw heeft nog gesteld dat het letsel ook het gevolg van een ander voorval (vallen van de fiets of een latere mishandeling) zou kunnen zijn.
Het hof overweegt dat het opgelopen letsel past bij het door verdachte tezamen met [medeverdachte] uitgeoefende geweld en dat een ander voorval dat als oorzaak van het letsel moet worden aangemerkt, niet aannemelijk is geworden."
11. De steller van het middel lijkt er vanuit te gaan dat alleen sprake kan zijn van zwaar lichamelijk letsel als een slachtoffer blijvend letsel aan de mishandeling heeft overgehouden. Die opvatting is onjuist. Art. 82 Sr Pro laat de rechter de vrijheid om ook buiten de in dit artikel genoemde gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen wanneer dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Het oordeel van het Hof dat het aan het slachtoffer toegebrachte letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
12. Voorzover in het middel een beroep wordt gedaan op feiten en omstandigheden leidende tot de conclusie dat niet uit te sluiten valt dat het letsel een andere oorzaak heeft dan het door de verdachte gepleegde geweld, merk ik op dat het Hof die door de verdediging geschetste oorzaken (vallen van de fiets of een latere mishandeling) niet aannemelijk heeft geacht. Daarmee is dit verweer voldoende weerlegd (vgl HR 31 oktober 2000, NJ 2001, 238). Voor zover het middel in dit verband nog rept van de bewijsstandaard "beyond reasonable doubt" miskent het dat het Hof die standaard heeft gehanteerd. Het Hof heeft immers geoordeld dat er gelet op het toegepaste geweld geen redelijke twijfel bestaat dat dit geweld het in de bewezenverklaring genoemde letsel heeft veroorzaakt, nu daarvoor geen andere aannemelijke verklaring is.
13. Tenslotte wordt geklaagd dat het oordeel van het Hof dat de verdachte zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht onbegrijpelijk is, omdat het Hof in de zaak van de medeverdachte niet tot bewezenverklaring van zware mishandeling is gekomen. Het Hof heeft uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van zware mishandeling. De vrijspraak van de medeverdachte ter zake van het zwaar lichamelijk letsel staat aan bewezenverklaring van het aan de verdachte tenlastelegde niet in de weg (vgl. HR 9 juni 1992, DD 92.368).
14. Het tweede middel faalt eveneens.
15. Het derde middel klaagt over de verwerping door het Hof van het beroep op psychische overmacht.
16. Het Hof heeft het in het middel bedoelde beroep als volgt samengevat en verworpen:
"De raadsvrouw heeft het verweer gevoerd dat verdachte heeft gehandeld in een toestand van psychische overmacht. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte onder enorme druk stond vanwege de maandenlange (telefoon)terreur en bedreigingen die [slachtoffer] aan het adres van verdachte's vriendin en hemzelf uitte. Het hele gezin leed onder deze terreur, met name de kinderen, terwijl de politie, ondanks herhaalde verzoeken, niet wilde ingrijpen. Als gevolg van deze druk was er ten tijde van het tenlastegelegde feit sprake van een zodanige psychische dwang dat van de verdachte redelijkerwijs niet gevergd kon worden daar weerstand tegen te bieden.
Het hof verwerpt dit verweer. Weliswaar is aannemelijk geworden dat verdachte (en zijn vriendin) in een benarde positie verkeerde(n), maar verdachte en zijn raadsvrouw hebben onvoldoende toegelicht waarom de gegeven omstandigheden meebrachten dat sprake was van een zodanig psychische dwang dat van de verdachte redelijkerwijs niet gevergd kon worden daar weerstand tegen te bieden. Het hof overweegt ten overvloede dat de verdachte samen met de medeverdachte [medeverdachte] , die [slachtoffer] al eerder had mishandeld, met een de verdachte niet toebehorende huissleutel van [slachtoffer] onverhoeds het huis van die [slachtoffer] - kennelijk tegen diens wil - is binnengedrongen. Aldus heeft hij de omstandigheid, waarop hij zich beroept, zelf veroorzaakt en komt die voor zijn rekening."
17. De klachten in het middel richten zich tegen de door het Hof ten overvloede gegeven overweging. Het oordeel van het Hof dat de verdachte en zijn raadsvrouw onvoldoende hebben toegelicht waarom de gegeven omstandigheden meebrachten dat sprake was van een zodanige psychische dwang dat van de verdachte redelijkerwijs niet gevergd kon worden daar weerstand aan te bieden, geeft geen blijkt van een onjuiste rechtsopvatting en is - in het licht van het ter terechtzitting aangevoerde - niet onbegrijpelijk. Dit oordeel draagt de verwerping van het beroep op psychische overmacht zelfstandig, zodat de tegen de overweging ten overvloede gerichte klachten buiten bespreking kunnen blijven.
18. Ook het laatste middel faalt.
19. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
20. Ik heb ook overigens geen gronden voor cassatie aangetroffen. Daarom concludeer ik dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
plv.