10) Alvorens de overige klachten van het middel te bespreken sta ik stil bij het arrest van 1 juli 1993 en zijn relatie tot de vroegere jurisprudentie.
De Hoge Raad heeft in dit arrest (r.o. 4.2) voorop gesteld "dat de eigenaar van een zaak die wordt beschadigd, een nadeel lijdt, gelijk aan de waardevermindering welke het desbetreffende vermogensbestanddeel heeft ondergaan, en dat, indien het een zaak betreft waarvan herstel mogelijk en verantwoord is, het geldsbedrag waarin deze waardevermindering kan worden uitgedrukt, in het algemeen gelijk zal zijn aan de - naar objectieve maatstaven berekende - kosten, welke met het herstel zullen zijn gemoeid (HR 16 juni 1961, NJ 1961, 444 en HR 12 april 1985, NJ 1985, 625)."
Aangenomen pleegt te worden dat het hier gaat om een 'abstracte' wijze van schadevaststelling, niet alleen in die zin dat wordt geabstraheerd van de kosten die in geval van herstel daadwerkelijk zijn gemaakt, maar ook van de vraag of de eigenaar feitelijk tot herstel overgaat. Zie bijv. Bloembergen, diss. p. 48, Barendrecht, WPNR 5764 (1985), Barendrecht/Storm e.a., Berekening van schadevergoeding (1995), p. 38, Deurvorst, NTBR 1996, p. 37 e.v. Vgl. ook Van der Grinten onder HR 12 april 1985, NJ 1985, alsmede HR 27 sept. NJ 1986, 211 m.nt. G.(3) Dat ook geabstraheerd kan worden van het antwoord op de vraag of de eigenaar feitelijk tot herstel overgaat, is een eis van de praktijk: een eigenaar die geen financiële middelen heeft tot (voor)financiering, moet die beslissing immers van de uitslag van de procedure kunnen laten afhangen.
Het arrest van 1993 herhaalt in r.o. 4.3.1 de oudere rechtspraak inzoverre dat wordt beslist dat er in beginsel van dient te worden uitgegaan dat de eigenaar van een gebouw dat onrechtmatig is beschadigd, aanspraak erop heeft in de gelegenheid te worden gesteld tot herstel, en voegt daaraan dan het volgende toe: zulk herstel kan ook verantwoord zijn indien de daarmee gemoeide kosten het bedrag van de als gevolg van de toegebrachte schade opgetreden waardevermindering overtreffen. Of dat het geval is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarna de Hoge Raad drie omstandigheden de revue laat passeren, t.w. de functie van de zaak voor de eigenaar, de mogelijkheid om (als afbraak en herbouw ter plaatse niet in aanmerking komen) elders een gelijkwaardige zaak te verwerven en de hoogte van de herstelkosten vergeleken met het bedrag van de waardevermindering. De Hoge Raad besluit met de overweging dat "omstandigheden als hiervoor aangeduid kunnen meebrengen dat, hoewel de herstelkosten de waardevermindering overtreffen, toch van de getroffen eigenaar in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij, ter wille van de belangen van de schadeveroorzaker, zijn aanspraak beperkt tot het bedrag van de waardevermindering."
Ik leid uit deze uitpraak af dat de bestaande rechtspraak wordt bevestigd en aangevuld in die zin dat zij ook geldt indien herstel (mogelijk en) verantwoord is, hoewel de daarmee gemoeide kosten hoger zijn dan de waardevermindering. In dat geval is de regel echter wel minder hard: ook dan kan er sprake zijn van een wijze van schadevaststelling die in bepaalde opzichten abstraheert van de in concreto geleden schade (inclusief de vraag of daadwerkelijk herstel plaatsvindt), maar of dat verantwoord is hangt af van de omstandigheden van het geval. Ook in de eerdere rechtspraak lag de mogelijkheid van een uitzondering besloten ('in het algemeen'), maar het ligt voor de hand dat de mogelijkheid daartoe - ter wille van de belangen van de schadeveroorzaker - ruimer zal zijn wanneer de herstelkosten de waardevermindering overtreffen. In die zin is de vraag of de schade (in bepaald opzicht) abstract of concreet zal worden berekend bij deze schadesoort afhankelijk van de omstandigheden van het geval.