1 HvJ 3 maart 1994, zaak C-16/93 (R.J. Tolsma v. Inspecteur der omzetbelasting Leeuwarden), Jur. EG 1994, blz. I-0743, met conclusie Lenz; BNB 1994/271 met noot Finkensieper, V-N 1994/1069.25.
2 HvJ EG 16 oktober 1997, zaak C-258/95 (Julius Fillibeck Söhne GmbH & Co. KG v. Finanzamt Neustadt)), Jur. EG 1997, blz. I-05577 met conclusie Léger, FED 1997/819 met noot Van Kesteren, V-N 1998/2.35.
3. Zesde richtlijn betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting-Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (77/388/EEG), zoals laatstelijk is gewijzigd bij de Richtlijn van 3 december 2002, (2002/92/EG), PB EG nr. L 331. Bij de Richtlijn van 10 april 1995, nr. 95/7/EG, werd onderdeel a vervangen. De tekst luidde daarvoor als volgt:
"(...)
a. de belasting over de toegevoegde waarde welke verschuldigd of voldaan is voor de hem door een andere belastingplichtige in het binnenland geleverde of te leveren goederen en voor de te zijnen behoeve door een andere tot voldoening van belasting gehouden belastingplichtige in het binnenland verrichte of te verrichten diensten;"
4 HR 25 maart 1998, nr. 33.096, BNB 1998/181 met noot Van Hilten, FED 1998/286 met noot Van Kesteren, V-N 1998/19.20.
5 Vergelijk de opmerkingen van de Staatssecretaris op p. 2, 2e alinea, van het verweerschrift.
6 Besluit van 23 september 1968, laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 16 september 2002, Stb. 472.
7 Zoals het luidt met ingang van 1 januari 1993, na wijziging bij Wet van 24 december 1992, Stb. 713.
8 Volgens R.F.W. van Brederode: De scheidslijn tussen consumptie en productie in de BTW; WFR 1998, blz. 1577 e.v., onderdeel 4.1, heeft Nederland als enige Lidstaat dit afwijkende stelsel. Aldus ook W.A.P. Nieuwenhuizen: BUA: Een Nederlandse zenuwinzinking?; WFR 1998/32, onderdeel 2.
9 Zie r.o. 26 van het in noot 5 hieronder genoemde Fillibeck-arrest van het HvJ EG en de aldaar genoemde rechtspraak.
10 K.M. Braun, Aftrek van voorbelasting in de BTW; Deventer, Kluwer, 2002.
11 HvJ EG 5 oktober 1999, zaak C-305/97 (Royscot Leasing Ltd, Royscot Industrial Leasing Ltd, Allied Domecq plc en T.C. Harrison Group Ltd v. Commissioners of Customs & Excise), Jur. EG 1999, blz. I-6671, met conclusie van Léger, V-N 1999/49.18.
12 Noot in BNB 1998/325.
13 Noot in BNB 1999/92. Zie ook haar noot in BNB 2000/60.
14 HvJ EG 16 oktober 1997, zaak C-258/95 (Julius Fillibeck Söhne GmbH & Co. KG v. Finanzamt Neustadt), Jur. EG 1997, blz. I-05577, met conclusie Léger, FED 1997/819, V-N 1998/2.35.
15 De Nederlandse vertaling van het arrest spreekt van 'geen andere dan bedrijfsdoeleinden', hetgeen weinig ruimte laat voor consumptieve neveneffecten en bovendien in strijd lijkt met de daaropvolgende volzin, waarin juist een ondergeschikt privé-doeleinde wordt toegestaan. Nieuwenhuizen wijst er op dat het arrest in de procestaal (Duits) spreekt van "nicht (...) Unternehmensfremden Zwecken"; W.A.P. Nieuwenhuizen, BUA: een Nederlandse zenuwinzinking? HvJ EG 16 oktober 1997, zaak nr. C-258/95 (Julius Fillibeck Söhne GmbH & Co. KG), WFR 1998/6274, p. 32 e.v..
16 R.W.F. van Brederode, De scheidslijn tussen consumptie en productie in de BTW. HR 25 maart 1998, nr 33 096, WFR 1998/6314, p. 1577-1588, onder punt 4.2 en 5.
17 R.N.G. van der Paardt, noot in FED 2000/130 bij HR 5 januari 2000, nr. 35.162.
18 T.a.p., punten 4 en 6.
19 H.W.M. van Kesteren, noot in FED 1997/819 bij het Fillibeckarrest, punt 5, en noot in FED 1998/286 bij HR 25 maart 1998, nr. 33.096, pt. 2.1.
20 Zie onderdeel 3.4 van het beroepschrift voor het Hof (kennis en ervaring en krapte op de arbeidsmarkt) en p. 3 van de pleitnota Hof (specifieke kennis en functie, expertise, moeilijkheid mensen te vinden die voor langere tijd in het buitenland willen werken).
21 Hetgeen de belanghebbende voor het Hof heeft gesteld, komt daar op neer (zie het beroepschrift voor het Hof, p. 4, onderdeel 3.5, pleitnotitie belanghebbende, p. 3, 2e alinea en het proces-verbaal van de Hofzitting). Het verweer van de Staatssecretaris dat dit gegeven in feitelijke instantie niet zou zijn vastgesteld, mist doel, nu het er slechts om gaat of dit gegeven gesteld is en voldoende onderzocht.
22 De inspecteur zegt op p. 3 van zijn pleitnotitie dat het ter vrije keuze van de werknemers is of zij al dan niet naar het buitenland verhuizen en dat er dus sprake is van een onderhandelingssituatie., Tijdens de Hofzitting (zie p-v) merkt de belanghebbende n.a.v. de pleitnota van de inspecteur op dat "er geen sprake is van een onderhandelingssituatie. In de praktijk worden de kosten door de werkgever vergoed; een werknemer gaat eerst onderhandelen als dit niet geschiedt." Voorst merkt de belanghebbende het volgende op: "er wordt mij gevraagd of het een vrije keuze van de werknemers is om zich in Nederland te vestigen. Het is zo dat bij de aanstelling van de werknemers wordt vermeld dat zij in voorkomende gevallen hun werkzaamheden in een ander land zullen dienen te verrichten. Dit hangt wel af van de aard van de functie. Het antwoord op de vraag is aldus dat het er een beetje tussenin zit." Uit het p.-v. volgt dat de inspecteur tijdens de zitting kennelijk niet heeft gereageerd op het voorgaande.