ECLI:NL:PHR:2004:AO3226

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 maart 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01205/03 M
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 55 lid 1 SrArt. 242 SrArt. 246 SrArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering strafoplegging bij meervoudige verkrachting en aanranding

De militaire kamer van het gerechtshof te Arnhem heeft verdachte veroordeeld voor meervoudige verkrachting, feitelijke aanranding van de eerbaarheid en mishandeling, en hem een gevangenisstraf van één jaar opgelegd. Het hof heeft tevens een betalingsverplichting aan de benadeelde opgelegd.

Verdediging heeft drie cassatiemiddelen voorgesteld: onduidelijkheid over de periode van de feiten, onjuiste kwalificatie van feitelijke aanranding en schending van de redelijke termijn in cassatie. De Hoge Raad verwierp de eerste twee middelen omdat de bewezenverklaring de periode van 1 februari 1993 tot en met 1 december 1999 omvatte en het hof terecht beide feiten afzonderlijk kwalificeerde.

Het derde middel slaagde omdat de stukken pas elf maanden na het instellen van cassatie werden ingediend, wat de maximale termijn van acht maanden overschreed. Dit leidde tot een strafvermindering. De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verwierp het beroep voor het overige.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor de strafoplegging en de opgelegde straf wordt verminderd.

Conclusie

Nr. 01205/03 M
Mr Jörg
Zitting 3 februari 2004
Conclusie inzake:
[verzoeker=verdachte]
1. Bij arrest van 3 juli 2002 heeft de militaire kamer van het gerechtshof te Arnhem verzoeker terzake van 1. primair "verkrachting, meermalen gepleegd", 2. primair "feitelijke aanranding van de eerbaarheid"(1) en 3. "mishandeling" veroordeeld tot één jaar gevangenisstraf. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij onder 3. deels toegewezen en aan verzoeker een betalingsverplichting opgelegd, een en ander als in het arrest vermeld.
2. Namens verzoeker heeft mr G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. In het eerste middel wordt erover geklaagd dat ten aanzien van de feiten 1 en 2 niet uit de bewijsmiddelen kan volgen dat de bewezenverklaarde feiten gepleegd zijn in de periode "tot en met 1 december 1999", nu uit het voor het bewijs gebezigde proces-verbaal bevattende de verklaring van het slachtoffer gesproken wordt over misbruik tot ongeveer medio november 1999.
4. Het middel miskent dat onder 1. primair en 2. primair bewezenverklaard is dat het misbruik plaats vond in de periode van 1 februari 1993 tot en met 1 december 1999. Medio november 1999 valt in die periode. Niet bewezenverklaard behoeft te worden dat het misbruik tot en met 1 december 1999 plaats vond.
5. Het middel faalt dus.
6. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof feit 2 ten onrechte heeft gekwalificeerd als "feitelijke aanranding van de eerbaarheid" en de strafoplegging mede heeft gegrond op art. 246 Sr Pro, terwijl feit 2 betrekking heeft op dezelfde feitelijke handelingen als feit 1 in dezelfde periode en in dezelfde plaats. Het hof had het openbaar ministerie terzake van feit 2 niet-ontvankelijk moeten verklaren, aldus het middel.
7. Het middel maakt ten onrechte geen onderscheid tussen gelijktijdige en ongelijktijdige vervolging ter zake van dezelfde feiten. Ik verwijs voor de volledigheid ook nog naar HR 2 december 2003, nr. 00247/ 03, r.o. 4.5. Aangezien alle klachten van strafrechtsdogmatische aard voortbouwen op dit ten onrechte niet gemaakte onderscheid behoeven zij geen verdere bespreking.
8. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.
9. In het derde middel wordt geklaagd over schending van de redelijke termijn in cassatie.
10. Het middel treft doel. Blijkens de akte cassatie heeft verzoeker op 4 juli 2002 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn evenwel eerst op 4 juni 2003 bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen, derhalve elf maanden later. Dit levert een schending op van de maximale inzendingstermijn van acht maanden. Vgl. HR 3 oktober 2000, NJ 2001, 721 m.nt. JdH. Dit dient tot strafvermindering te leiden.
11. Het eerste en tweede middel lenen zich voor de zogenaamde art. 81 RO Pro-afdoening. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Volgens de bewezenverklaring óók meermalen gepleegd.