5. Het hof heeft ten aanzien van verzoekers (voorwaardelijk) opzet de volgende - niet volledig in de toelichting op het middel weergegeven - bewijsoverweging opgenomen:
"Ten aanzien van het ter zake de feiten 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde opzet overweegt het hof dat uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat:
- verdachte op 31 maart 2001 na het gebruik van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol als bestuurder van zijn auto, een Opel Omega, is gaan rijden;
- dat verdachte, na een vermeende aanrijding of botsing - met de achterzijde van de voor hem rijdende Honda dan wel van zijn auto met de stoeprand - en daarbij door hem veronderstelde schade aan zijn auto, de Honda tot stoppen heeft gedwongen, het portier aan de bestuurderszijde van de Honda heeft geopend en direct naar de bestuurder van de Honda is gaan slaan;
- dat verdachte de bestuurder van de Honda sommeerde achter hem aan te rijden naar het woonwagenkamp te [plaats A] om de schade te regelen;
- dat verdachte vanaf dat moment zijn vrouw, [medeverdachte], de Opel verder heeft laten besturen;
- dat verdachte, toen de Honda bij een linksafslaan de Opel niet volgde maar vol gas rechtdoor ging, [medeverdachte] heeft aangespoord achter de Honda aan te gaan om deze in te gaan halen en tot stoppen te dwingen;
- dat verdachte [medeverdachte] tot een wilde achtervolging van de Honda heeft aangezet waarbij met hoge snelheden werd gereden;
- dat de Opel met groot licht veelvuldig vlak achter de Honda heeft gereden (gekleefd) en de Opel de Honda enkele malen heeft geraakt, ook direct voorafgaande aan de fatale botsing van de Honda tegen een boom;
- dat verdachte bij die achtervolging enkele malen aan het stuur heeft getrokken en/of geduwd om de koers van de Opel te wijzigen;
- dat [medeverdachte] aan de aansporingen van verdachte gehoor heeft gegeven, omdat zij dit doorgaans pleegde te doen in het besef dat, als zij dat niet deed, verdachte erg agressief kon worden.
Het behoeft geen betoog dat het verkeersgedrag van de Opel zoals dat door verdachte is bewerkstelligd levensgevaarlijk was en de aanmerkelijke kans met zich bracht op een dodelijk ongeval voor de (inzittenden van de) Honda. Dit klemt temeer nu, naar ook de verdachte duidelijk moet zijn geweest, die inzittenden bang waren voor verdachte en voor hem wegvluchtten en aldus hun handelen niet in volle vrijheid konden bepalen. Ter terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep heeft verdachte er blijk van gegeven de gevaren van kleven en opjagen te beseffen. Het hof acht het niet geloofwaardig dat verdachte ten tijde van de achtervolging niet zou hebben beseft dat de Honda van hem wegvluchtte en hij (de levens van) de inzittenden van die Honda in gevaar bracht door de door hem geïnitieerde en door [medeverdachte] uitgevoerde achtervolging. Verdachte had immers ook de tegenwoordigheid van geest om na de vermeende aanrijding zijn vrouw verder te laten rijden omdat hij zelf te veel had gedronken en hij, voor het geval de politie er onverhoopt bij zou komen, niet achter het stuur aangetroffen wilde worden. Tevens had hij de tegenwoordigheid van geest om enkele malen in te grijpen in het sturen van de auto door [medeverdachte]. Verdachte wist dus nog goed wat hij deed. Voor zover zijn inschatting van de risico's ten negatieve is beïnvloed door zijn overmatig drankgebruik geldt voorts dat verdachte zelf verantwoordelijk is voor de - hem bekende - gevolgen daarvan.
Het hof acht op grond van het hiervoor overwogene bewezen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door zijn vorenomschreven handelwijze de inzittenden van de Honda dodelijk zouden verongelukken. Verdachte heeft dat risico op de koop toe genomen in zijn wens om koste wat kost de Honda in te halen en tot stoppen te dwingen. Het hof acht derhalve het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op de dood van de inzittenden van de Honda bewezen.
De raadsman van de verdachte heeft ter onderbouwing van zijn betoog dat de verdachte dit (voorwaardelijk) opzet niet heeft gehad aangevoerd dat de verdachte een aantal malen in de besturing van [medeverdachte] heeft ingegrepen om een aanrijding -onder meer met een tegenligger- te voorkomen. De raadsman stelt dat daaruit blijkt dat verdachte zelf niet het risico van een aanrijding met dodelijke gevolgen heeft willen nemen en dat het daarom onwaarschijnlijk is dat verdachte zich terzake de door hem jegens de Honda verweten rijwijze van een aanmerkelijke kans op een ongeval met dodelijke afloop bewust is geweest, nu immers de risico's voor de inzittenden van de Opel niet anders waren dan voor de inzittenden van de Honda.
Het hof deelt, zoals uit het hiervoor overwogene duidelijk moge zijn, dit standpunt van de verdediging niet. Nog daargelaten de vraag of de risico's voor verdachte en [medeverdachte] even aanmerkelijk waren als voor de inzittenden van de opgejaagde Honda, betekent het feit dat verdachte bepaalde risico's - zoals het risico van een frontale aanrijding met een tegenligger - niet heeft willen nemen, nog niet dat hij andere risico's niet bewust op de koop toe heeft genomen in zijn poging om koste wat kost de Honda tot stoppen te dwingen."