ECLI:NL:PHR:2004:AO3438
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid OM bij schending gelijktijdige betekening ontnemingsvordering niet zonder meer
In deze zaak stond centraal of het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard moest worden vanwege het niet gelijktijdig betekenen van de ontnemingsvordering met de sluiting van het strafrechtelijk financieel onderzoek, zoals voorgeschreven in art. 511b lid 3 Sv. Het Hof had het verweer van de verdediging dat de vordering ongeveer negen maanden later werd betekend dan de sluiting van het onderzoek, verworpen en geoordeeld dat hoewel sprake was van schending van het wetsvoorschrift, dit niet leidde tot niet-ontvankelijkheid omdat er geen ernstige inbreuk was op de procesorde.
De Hoge Raad bevestigt dat het voorschrift in art. 511b lid 3 Sv beoogt voortvarendheid te waarborgen, maar dat de wet geen sanctie van niet-ontvankelijkheid aan de schending verbindt. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin soortgelijke schendingen niet automatisch tot niet-ontvankelijkheid leiden, maar waarbij de rechter moet beoordelen in hoeverre de belangen van de verdachte zijn geschaad.
De Hoge Raad constateert dat het Hof onvoldoende is ingegaan op het betoog van de verdediging dat de verdachte erop mocht vertrouwen dat na de betekening van de sluiting van het onderzoek geen ontnemingsvordering meer zou volgen. Dit vereist nader feitelijk onderzoek dat in cassatie niet kan worden verricht. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug naar een ander hof voor hernieuwde behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling vanwege onvoldoende motivering over niet-ontvankelijkheid bij schending van art. 511b lid 3 Sv.