ECLI:NL:PHR:2004:AO3852
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling stuiting en verjaring van vordering tot schadevergoeding bij diefstal lading in internationaal wegvervoer
In deze zaak staat centraal of de vordering tot schadevergoeding wegens diefstal van een lading textiel in het kader van een internationale vervoersovereenkomst (CMR) is verjaard en of de verjaring is gestuit. De vervoerder [verweerster] werd aangesproken door Interpolis en [eiseres 2] voor de geleden schade, nadat de lading was gestolen tijdens het transport van Nederland naar Italië.
De vervoerder had een verklaring voor recht gevorderd dat zij niet aansprakelijk was, terwijl Interpolis en [eiseres 2] in reconventie een schadevergoeding eisten. Het hof oordeelde dat de verjaringstermijn van één jaar van art. 32 lid 1 CMR Pro van toepassing was en dat de vordering verjaard was omdat de eis in reconventie pas na het verstrijken van deze termijn was ingesteld. Het hof verwierp het standpunt dat de dagvaarding van de vervoerder de verjaring zou stuiten.
De Hoge Raad bevestigt dat een eis van de wederpartij tot verklaring voor recht niet kan worden aangemerkt als een eis die de verjaring stuit in de zin van art. 3:316 lid 1 BW Pro. Ook oordeelt de Hoge Raad dat het beroep op verjaring niet onaanvaardbaar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, ook al heeft de vervoerder zelf het geschil aanhangig gemaakt en is er sprake van een langdurige procedure. De ratio van de verjaringsregels en de bescherming van rechtszekerheid staan centraal in deze beoordeling.
De Hoge Raad wijst voorts het betoog af dat door de procedure van de vervoerder impliciet afstand is gedaan van het verjaringsverweer. De uitspraak benadrukt het belang van tijdige stuiting van verjaring door de schuldeiser en bevestigt dat de vervoerder terecht een beroep op verjaring kan doen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de vordering tot schadevergoeding is verjaard omdat de verjaring niet tijdig is gestuit en het beroep op verjaring niet onaanvaardbaar is.