2. Op verzoek van degene, die op grond van een vóór de inwerkingtreding van deze wet gewezen rechterlijke uitspraak verplicht is een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken, beëindigt de rechter deze verplichting, indien deze op of na dat tijdstip vijftien jaren heeft geduurd, tenzij hij van oordeel is dat de beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van degene die tot de uitkering gerechtigd is kan worden gevergd. (...) Het bepaalde in de eerste volzin kan niet tot gevolg hebben dat de uitkering eindigt binnen drie jaren na inwerkingtreding van deze wet."
Deze nieuwe regeling is in de memorie van toelichting bij wetsvoorstel 22 170 (Wijziging van enige bepalingen van het voorstel van wet houdende wijziging van bepalingen in het Burgerlijk Wetboek in verband met de regeling van limitering van alimentatie na scheiding) als volgt toegelicht, nadat was vooropgesteld dat dit wetsvoorstel ertoe strekt om in verband met de hoofdbezwaren tegen wetsvoorstel 19 295 een nadere wijziging van enkele daarin vervatte bepalingen aan te brengen waarbij in het bijzonder rekening is gehouden met de positie van oudere vrouwen, die zich onvoldoende hebben kunnen instellen op het nieuwe, in het wetsvoorstel 19 295 vervatte limiteringsregime (Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 22 170, nr. 3. p. 4), waarbij opmerking verdient dat het tweede lid van art. II aanvankelijk een termijn van twintig jaren kende, die door aanvaarding van het amendement Van der Burg is gewijzigd in een termijn van vijftien jaar:
"Dit artikel beoogt in plaats van de in artikel II van wetsvoorstel 19 295 vervatte overgangsregeling een andere overgangsregeling te creëren die rekening houdt met enerzijds de categorie van oudere alimentatiegerechtigden en anderzijds de categorie van alimentatieplichtigen, die bij de inwerkingtreding van de wet reeds zeer lange tijd aan deze plicht onderworpen waren.
Het nieuw voorgestelde eerste lid van voornoemd artikel II strekt ertoe om de nieuwe limiteringsregeling alléén van toepassing te doen zijn op de uitkeringen tot levensonderhoud die na de inwerkingtreding van wetsvoorstel 19 295 door de rechter zijn toegekend of tussen partijen zijn overeengekomen. De vraag of in gevallen waarin vóór de inwerkingtreding van de wet een onderhoudsbijdrage is opgelegd of overeengekomen, gelimiteerd zou moeten worden, staat, tenzij partijen zelf in hun echtscheidingsconvenant reeds een limiteringstermijn hadden opgenomen, geheel ter beoordeling van de rechter, die zich daarbij zal laten leiden door de huidige wettelijke regeling en de daarop gebaseerde jurisprudentie.
Het nieuw voorgestelde tweede lid van artikel II heeft betrekking op de problematiek van degene die vóór de inwerkingtreding van wetsvoorstel 19 295 op grond van een rechterlijke uitspraak betreffende de uitkering tot levensonderhoud deze reeds gedurende twintig of meer jaren hebben verstrekt. Degenen die tot deze categorie behoren kunnen zich met een verzoek tot intrekking van een dergelijke uitkering tot de rechter wenden. De rechter wijst dit verzoek toe, tenzij hij van oordeel is dat de beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van degene die tot de uitkering gerechtigd is kan worden gevergd. (...)
Wat betreft genoemde termijn van twintig jaren zij erop gewezen dat het in de onderhavige bepaling van overgangsrecht gaat om alimentatiegerechtigden die reeds lange tijd een onderhoudsbijdrage ontvangen en voor wie de overgang naar het nieuwe regime een te ingrijpende stap zou betekenen, aangezien hun omstandigheden zodanig zijn dat zij zich niet dan wel in onvoldoende mate daarop hebben kunnen instellen. Aan de andere kant betreft het alimentieplichtigen die gedurende een zodanig lange termijn alimentatie betalen dat hun verantwoordelijkheid ten opzichte van de vroegere echtgenoot in beginsel geacht mag worden beëindigd te zijn. Als een reële begrenzing van genoemde verantwoordelijkheid is gekozen voor een termijn van twintig jaren."
In de toelichting bij het hiervoor genoemde, door de Tweede Kamer aanvaarde amendement van het lid M.M. Van der Burg (Tweede Kamer, vergaderjaar 1992-1993, 22 170, nr. 15) is opgemerkt dat in dit amendement het feit dat de alimentatieplichtige bij de inwerkingtreding of daarna vijftien jaar of meer heeft betaald, in beginsel de definitieve begrenzing voor de duur van de alimentatie vormt.
Tijdens de parlementaire behandeling van de novelle is meermalen herhaald dat bij de nieuw voorgestelde overgangsregeling de gedachte heeft voorgezeten dat enerzijds rekening dient te worden gehouden met de belangen van de groep oudere gescheiden vrouwen die nog steeds alimentatie ontvangt, doch dat anderzijds bijzondere aandacht verdient de positie van de vroegere echtgenoot die reeds gedurende een zo lange tijd alimentatieplichtig is dat van hem in het algemeen gezegd kan worden dat de verantwoordelijkheid tegenover de vroegere partner geacht kan worden te zijn geëindigd: zie de Nota naar aanleiding van het verslag, Tweede kamer, vergaderjaar 1991-1992, 22 170, nr. 6, p. 2, derde volle alinea; zie voorts de MvA I, Eerste Kamer, vergaderjaar 1993-1994, 22 170, nr. 109a, p. 4 voorlaatste alinea.