ECLI:NL:PHR:2004:AO3872
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanvangstijdstip van de 15-jarige termijn voor alimentatiebeëindiging na scheiding
In deze zaak staat centraal wanneer de termijn van 15 jaar, zoals bedoeld in de overgangsregeling van artikel II lid 2 van de Wet limitering na scheiding, aanvangt. De man verzocht beëindiging van de alimentatieplicht op grond van het verstrijken van deze termijn, gerekend vanaf de inschrijving van het echtscheidingsvonnis in 1986. De vrouw betoogde dat de termijn pas begint te lopen vanaf de datum van de rechterlijke uitspraak waarbij de alimentatie daadwerkelijk is vastgesteld, namelijk 5 april 1994.
Het hof stelde dat de termijn begint bij de inschrijving van het echtscheidingsvonnis en beëindigde de alimentatie. De vrouw stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel. De Hoge Raad concludeert dat de wetstekst en parlementaire geschiedenis duidelijk maken dat de termijn van 15 jaar moet worden gerekend vanaf de rechterlijke uitspraak of overeenkomst waarbij de alimentatie is toegekend, en niet vanaf de datum van echtscheiding.
De Hoge Raad vernietigt daarom het bestreden oordeel van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling. Hierbij wordt benadrukt dat de man zal moeten aantonen dat hij reeds 15 jaar krachtens rechterlijke uitspraak verplicht is tot betaling van alimentatie. De zaak betreft een belangrijke interpretatie van het overgangsrecht bij alimentatiebeëindiging na scheiding.
Uitkomst: De Hoge Raad bepaalt dat de 15-jarige termijn voor alimentatiebeëindiging begint bij de rechterlijke uitspraak tot alimentatie, niet bij de inschrijving van het echtscheidingsvonnis.