1 Prod. 1 bij het verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek van de man (eerste aanleg).
2 Dit is de datum van wijziging van de uitkering (het inkomen) van de vrouw (petitum inleidend verzoekschrift).
3 De vrouw beroept zich in haar verweerschrift in cassatie (alinea 14) primair erop dat de man geen belang zou hebben bij zijn cassatieberoep. Dat verweer is ongegrond. Ik beperk me hier tot het daarvoor aangevoerde argument, dat de man reeds voldaan heeft aan de beslissing van het hof: dat is onvoldoende om berusting aan te nemen (o.m. HR 11 april 2003, NJ 2003, 440, rov. 3.1 en 3.2).
4 De man stelde al in de eerste aanleg dat hij in staat was de verzochte bijdrage te voldoen, zodat zijn draagkracht niet ter discussie stond (verweerschrift, alinea 5).
5 Zoals laatstelijk bevestigd bij HR 28 april 1995, NJ 1996, 102 m.nt. JdB, rov. 3.4, met verwijzing naar HR 23 mei 1975, NJ 1976, 412, rov. met betrekking tot het derde onderdeel van het middel in het incidentele beroep.
6 Zie bijvoorbeeld voor lasten in verband met de niet-gehuwde partner en/of diens kinderen HR 3 juli 1995, NJ 1996, 86 m.nt. JdB, rov. 3.3, en voor lasten in verband met (meerderjarige) kinderen HR 12 oktober 2001, NJ 2001, 652, rov. 3.2.1 en 3.2.2; HR 29 juni 1984, NJ 1985, 14, rov. 3.2. Zie echter voor schulden van de nieuwe partner van de alimentatieplichtige HR 18 februari 2000, NJ 2000, 308, rov. 3.3 en 3.4.
7 De zgn. "Trema-norm" (het inmiddels tot de omvang van een klein boekwerk uitgegroeide rapport "Alimentatienormen" van de gelijknamige NVvR-werkgroep; door mij geraadpleegd in de versie-januari 2001 met bijlage 2003) beveelt in § 3.1 dan ook aan, het "draagkrachtloos inkomen" van de alimentatiegerechtigde op dezelfde basis te berekenen als het draagkrachtloos inkomen voor de alimentatieplichtige. Dat impliceert dat "redelijke lasten" die de betrokkene voor onderhoud van anderen besteedt, daarbij (zouden) mogen worden opgeteld (waardoor zij niet gebracht mogen worden ten laste van het saldo, dat de behoefte van de betrokkene vormt, en die behoefte dus groter wordt).
9 Zie voor recente rechtspraak HR 30 januari 2004, rechtspraak.nl LJN nr. AN8080, rov. 3.6; HR 28 november 2003, RvdW 2003, 181, rov. 5.2.10; HR 19 september 2003, NJ 2003, 631, rov. 3.2; HR 23 maart 2001, NJ 2003, 715 m.nt. Verstijlen, rov. 3.5.3.
10 Een verhelderend overzicht wordt gegeven in alinea's 2.5 - 2.13 van de conclusie van A-G Wesseling-van Gent voor HR 23 januari 2004, R03/043HR, rechtspraak.nl LJN nr. AN8077; waarbij ik mij veroorloof de vraag op te werpen of het in alinea 2.5 opgenomen citaat uit de conclusie vóór HR 24 december 1982 nog helemaal juist weergeeft, hoe heden ten dage over de materie wordt gedacht. Men zou, vogens mij, licht kunnen menen dat de motiveringseis nu iets strikter wordt gehanteerd, dan dit citaat doet vermoeden.
11 Zie bijvoorbeeld Civiele Conclusies 2002 (verschenen 2004), p. 185 en p. 349, met verdere verwijzingen. Als gevallen die enigszins met het thans te beoordelen geval vergelijkbaar zijn noem ik HR 17 maart 2000, NJ 2000, 313, rov. 3.3 - 3.5 en HR 24 april 1998, NJ 1998, 603, rov. 3.5.
12 HR 10 oktober 2003, NJ 2004, 37, rov. 3.3; HR 29 juni 2001, NJ 2001, 495, rov. 3.3. In dezelfde zin is geoordeeld over andere beslissingen waarbij een relatief "lichte" motiveringseis geldt, zoals beslissingen over faillissementsverzoeken, HR 7 april 1995, NJ 1997, 21 m.nt. EAA, rov. 3.3, en beslissingen in kort geding, HR 4 juni 1993, NJ 1993, 659, rov. 3.4.
13 Opnieuw: HR 10 oktober 2003, NJ 2004, 37, rov. 3.3.
14 O.a HR 17 maart 2000, NJ 2000, 333, rov. 3.4; HR 19 december 1997, NJ 1998, 259, rov. 3.2;
15 Zie bijvoorbeeld HR 30 januari 2004, rechtspraak.nl LJN nr. AL8626, rov. 3.5.1 - 3.5.2; HR 23 november 2001, NJ 2002, 280 m.nt. JdB, rov. 3.4.2.
16 Bijvoorbeeld HR 1 februari 2002, NJ 2002, 185, rov. 3.4.
17 Intussen ligt hier een gemakkelijk te miskennen grens, die zichtbaar wordt in HR 16 oktober 1998, NJ 1998, 854, rov. 3.3: de motivering moet wel (voldoende) duidelijk maken of rekening is gehouden met (mogelijke) wijzigingen in de omstandigheden gedurende de hele periode waarop de nadere vaststelling betrekking heeft. De vrijheid om de ingangsdatum te bepalen doet daaraan klaarblijkelijk niet af.
18 HR 20 september 2002, NJ 2003, 47 m.nt. SW, rov. 3.2.1 (slot).
19 Illustratief voor de toepassing van deze norm (of eerder: vuistregel) noem ik HR 3 oktober 2003, rechtspraak.nl LJN nr. AF5548, rov. 3.3.2; HR 29 juni 2001, NJ 2001, 495, rov. 3.3; HR 14 april 2000, NJ 2000, 359, rov. 3.3. Zoals in voetnoot 10 al aangestipt, kan men betwijfelen of de hier verdedigde maatstaf samenvalt met de maatstaf die in het daar bedoelde citaat (uit NJ 1983, 389) tot uitdrukking komt. Met name de ruimte om onduidelijkheden in een motivering te "dichten" onder de aanname dat de rechter zich daar door intuitie en/of door weging van imponderabele aspecten (een contradictio in terminis, overigens) zal hebben laten leiden, lijkt mij naar de huidige opvattingen discutabel.
20 In het A-dossier is dit het met nr. 5 aangeduide stuk.
21 Behoudens één betaling uit augustus 2000. De op de in handschrift opgestelde lijst vermelde datum van 15 januari 2001 correspondeert niet met het bankafschrift voor de daarbij vermelde betalingen: dat is gedateerd 17 januari 1997.
22 Bijlagen bij een brief van de advocaat van de vrouw aan de rechtbank van 21 mei 2002, A-dossier, stuk nr. 3.
23 Het overzicht ziet klaarblijkelijk op het jaar 2001.
24 Proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg, p. 1 onderaan.
25 Mij is niet duidelijk waarom in deze overweging geen melding wordt gemaakt van de uit de stukken blijkende WW-uitkering (van f. 2.996,-) die de vrouw in 2001 volgens de jaaropgaven waar het hof naar verwijst zou hebben ontvangen; maar hierover wordt in cassatie niet geklaagd.
26 Ik ontleen dit aan het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in appel, eerste bladzij (mededelingen van Mr. Hoek). Het verdere proces-verbaal bevat geen aanwijzingen dat het op dit punt gezegde zou zijn weersproken. De stelling van (onderdeel 2.5.1 van) het middel dat de onderhavige vaststelling "uit de lucht komt vallen" lijkt mij, gezien deze gegevens, niet houdbaar.