ECLI:NL:PHR:2004:AO4048

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01741/03
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 WVW 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens rijden onder invloed van MDMA en MDA zonder objectieve limieten

In deze zaak stond de vraag centraal of het gebruik van MDMA en MDA in een zodanige concentratie in het bloed strafbaar is als het leidt tot vermindering van rijvaardigheid, ook zonder objectieve normen zoals bij alcoholgebruik. Het gerechtshof had verdachte veroordeeld tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor negen maanden op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

De verdediging voerde aan dat zonder duidelijke objectieve limieten en zonder bewijs van daadwerkelijk gevaarlijk rijgedrag geen strafbaarheid kon worden aangenomen. Tevens werd een rapport van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid aangevoerd, waarin werd gesteld dat enkelvoudig drugsgebruik geen significant extra risico op de weg oplevert.

De Hoge Raad oordeelde dat het niet noodzakelijk is dat daadwerkelijk gevaarlijk rijgedrag wordt vastgesteld; het gaat om een potentiële vermindering van rijvaardigheid. Psychotrope stoffen zoals MDMA en MDA beïnvloeden het waarnemings- en beoordelingsvermogen, waardoor het logisch is dat rijvaardigheid vermindert. Het hof mocht op basis van een deskundigenrapport concluderen dat verdachte niet tot behoorlijk besturen in staat was. Het beroep werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling wegens rijden onder invloed van MDMA en MDA zonder noodzaak van objectieve limieten voor rijvaardigheidsvermindering.

Conclusie

Griffienr. 01741/03
Mr. Wortel
Zitting:17 februari 2004
Conclusie inzake:
[verzoeker = verdachte]
1. Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarbij verzoeker wegens "overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994" de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen is ontzegd voor de duur van negen maanden.
2. Bij schriftuur heeft mr. W.H.G. van Baarle twee middelen van cassatie voorgesteld.
In die schriftuur is niet vermeld, doch uit de stukken volgt, dat mr. W.H.G. van Baarle advocaat te Breda is.
Voorts houdt de schriftuur niet in, zoals vereist, dat mr. Van Baarle door verzoeker uitdrukkelijk is gemachtigd middelen voor te stellen. Er zal aangenomen moeten worden dat dit is geschiedt.
3. Het eerste middel bevat de opmerkelijk geformuleerde klacht dat vormen zijn verzuimd of aangehaalde wetsbepalingen zijn geschonden doordien "het Hof het bewezen verklaarde doet steunen op feiten waarvan niet vast staat dat deze onder een delictsomschrijving vallen"
4. Blijkens de toelichting op dit middel wordt beoogd de klacht op te werpen dat de in de bewijsmiddelen vervatte feiten en omstandigheden niet de bewezenverklaring kunnen dragen dat verzoeker een motorrijtuig heeft bestuurd terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van stoffen, te weten MDMA en MDA, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.
5. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het in de bewezenverklaring omschreven handelen pas als strafbaar feit kan worden aangemerkt indien
a) komt vast te staan dat de rijvaardigheid door het gebruik van MDMA en/of MDA is verminderd;
b) kan worden aangetoond dat deze middelen zijn gebruikt, en wel in een hoeveelheid die de rijvaardigheid aantast;
c) kan worden vastgesteld "in welke mate dit, bv. in vergelijking met alcoholrichtlijnen, gestraft dient te worden".
6. De steller van het middel meent dat voor die laatste vaststelling thans elk aanknopingspunt ontbreekt. Bij alcoholgebruik is duidelijk welke verschijnselen (de 'trias alcoholica') uitwijzen dat de rijvaardigheid is aangetast, maar die aantasting en het causaal verband tussen gebruik en verminderde rijvaardigheid vallen, zo wordt betoogd, met betrekking tot "andere stoffen" als bedoeld in art. 8 WVW Pro 1994 niet eenvoudig aan te tonen. Strafvervolging zou alleen tot een veroordeling kunnen leiden in evidente gevallen van zeer hoge doseringen of een combinatie van middelen.
Voorts wordt een beroep gedaan op een rapport van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid, rapportnummer R-2002-14, waarin is vastgesteld dat enkelvoudig drugsgebruik geen extra gevaar oplevert op de weg, en de strafbaarstelling daarvan niet hanteerbaar is zolang niet voor alle psychotrope stoffen limieten bestaan waarboven beïnvloeding van het rijgedrag objectief kan worden aangetoond.
7. De pleitaantekeningen die ter terechtzitting van het Hof zijn overgelegd houden in dat de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid vooralsnog concludeert dat enkelvoudig drugsgebruik geen extra gevaar op de weg oplevert. Uit de stukken kan ik niet afleiden dat het desbetreffende rapport, met de wat verdergaande observatie ten aanzien van strafrechtelijke handhaving die in de toelichting op het middel is weergegeven, aan het Hof is overgelegd.
8. Niettemin heb ik de samenvatting van bedoeld rapport aangetroffen tussen de stukken die bij het wetenschappelijk bureau van de Hoge Raad zijn verzameld. Het blijkt te gaan om een haalbaarheidsstudie, met de titel "Het effect van alcohol-, drugs- en geneesmiddelengebruik op het letselrisico van automobilisten", betreffende onderzoeksmethoden om de risico's vast te stellen die verbonden zijn aan het gebruik van alcohol, drugs en psychoactieve geneesmiddelen door autobestuurders.
Deze samenvatting houdt in:
"In het haalbaarheidsonderzoek kon (nog) geen significante risicoverhoging worden vastgesteld voor bestuurders die alléén cannabis, ecstacy en/of amfetamine, cocaïne, opiaten, tricyclische antidepressiva of een betrekkelijk geringe hoeveelheid alcohol (bloedalcoholgehalte tussen 0,2 en 0,5 promille) hadden gebruikt.
Significante risicoverhogingen konden wel al worden vastgesteld voor benzodiazepines, combinaties van verschillende drugs, en alcohol boven de wettelijke limiet van 0,5 promille. Maar verreweg de grootste risicoverhoging leverde het gecombineerde gebruik van (veel) alcohol en drugs op."
9. Voor zover dit rapport bij de beoordeling in cassatie in verband gebracht kan worden met de door het Hof genomen beslissingen, moet worden vastgesteld dat het een beperkte strekking heeft. De onderzoekers hebben bij hun oriëntatie op de mogelijkheid een verband te vinden tussen middelengebruik en het letselrisico van de automobilist vooralsnog niet kunnen vaststellen dat het zogenaamd enkelvoudig drugsgebruik tot beduidende verhoging van dat risico voert. Daarmee is nog niet gezegd dat zulk gebruik van één bepaalde psychotrope stof geen nadelige invloed kan hebben op de rijvaardigheid, of dat daardoor de veiligheid op de weg niet in gevaar gebracht kan worden.
Daarom meen ik dat het rapport - voor zover de Hoge Raad het, gelet op de in feitelijke instantie aangevoerde en vastgestelde feiten en omstandigheden, al in zijn beoordeling kan betrekken - voor deze zaak geen betekenis heeft, te minder omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat verzoeker een nogal aanzienlijke hoeveelheid MDMA en MDA had gebruikt.
10. Voorts dient bedacht te worden dat een op art. 8, eerste lid, WVW 1994 gebaseerde bewezen- en strafbaarverklaring niet vergt dat de bestuurder daadwerkelijk op gevaarlijke wijze met zijn motorrijtuig heeft gereden. Deze delictsomschrijving kent (afgezien van de omstandigheid dat er een voertuig moet zijn bestuurd) twee - tekstueel in elkaar gevlochten - bestanddelen. Ten eerste : de bestuurder moet stoffen tot zich hebben genomen waarvan hij weet of redelijkerwijze moet weten dat het gebruik ervan de rijvaardigheid kan verminderen. Wat deze wetenschapseis betreft gaat het dus om een potentiële, en niet om een daadwerkelijke negatieve invloed op de rijvaardigheid. Ten tweede: de invloed van de gebruikte stof dient zodanig te zijn dat de bestuurder niet tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht. Deze eis impliceert weliswaar een daadwerkelijke vermindering van de rijvaardigheid, maar zij laat een veronderstelling toe. De verminderde rijvaardigheid behoeft niet te blijken uit afwijkend, bijzonder gevaarlijk, weggedrag. De veronderstelling of aanname dat de bestuurder niet tot behoorlijk besturen in staat was kan ook op andere feiten en omstandigheden worden gegrond.
11. Tot de gebezigde bewijsmiddelen behoort een rapport van een apotheker/toxicoloog, inhoudend dat een van verzoeker afgenomen bloedmonster MDMA bevatte in een concentratie van 0,58 milligram per liter, en MDA in een concentratie van 0,27 milligram per liter. Voorts houdt dit rapport als oordeel van de deskundige in:
"In het bloed van [de verdachte] waren werkzame concentraties MDMA en MDA aanwezig. Hierdoor zal de rijvaardigheid nadelig zijn beïnvloed.
De in het bloed van [de verdachte] gevonden concentratie MDMA is hoog. Bij verkeersdeelnemers, waar bloed was afgenomen in het kader van artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet en waar MDMA aanwezig was in het bloed, vonden wij in de afgelopen jaren in de helft van de gevallen concentraties lager dan 0,28 milligram MDMA per liter bloed."
12. Het komt mij voor dat het Hof in dit deskundig oordeel een toereikende grond kon vinden voor zijn vaststelling dat verzoeker niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.
13. Het tweede middel behelst de klacht dat het bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Blijkens de toelichting wordt evenwel bedoeld er over te klagen dat het Hof niet naar behoren heeft beslist op het verweer dat niet objectief vaststaat in welke mate het gebruik van MDMA en MDA de rijvaardigheid beïnvloeden.
14. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitaantekeningen houden onder meer de stelling in dat
"in Nederland [...] strafbaarstelling niet hanteerbaar [is] zolang niet voor alle psychotrope middelen limieten bestaan waarboven beïnvloeding van het rijgedrag objectief kan worden aangetoond (vergelijk ademtest/bloedonderzoek)".
In die pleitaantekeningen is als conclusie vermeld (naast niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie; welk verweer het Hof heeft verworpen):
"ontslag van rechtsvervolging, feit niet te kwalificeren".
15. Een verweer dat ertoe strekt dat een tenlastegelegd feit, indien bewezen, geen strafbaar feit kan opleveren vergt een gemotiveerde beslissing, die in de bestreden uitspraak ontbreekt.
Naar mijn inzicht berustte het gevoerde verweer evenwel op twee misvattingen.
16. In de eerste plaats raakte dat verweer niet aan de strafbaarheid van het tenlastegelegde feit, maar aan de bewijsbaarheid daarvan. Het is immers een te bewijzen bestanddeel van de delictsomschrijving dat verzoekers gebruik van MDMA en MDA ten gevolge had dat hij niet tot behoorlijk besturen van het motorrijtuig in staat moest worden geacht. Onzekerheid omtrent het verband tussen verzoekers gebruik van die stoffen en het veronderstelde gebrek aan rijvaardigheid zou derhalve tot vrijspraak hebben moeten voeren.
17. Ten tweede kan de raadsman naar mijn inzicht niet gevolgd worden in zijn stelling dat het verzoeker verweten handelen eerst als strafbaar feit is aan te merken indien objectieve normen beschikbaar zijn die kunnen uitwijzen dat het gebruik van stoffen als MDMA en MDA in een bepaalde hoeveelheid de rijvaardigheid vermindert.
18. Reeds de omstandigheid dat het hier gaat om psychotrope stoffen, dat wil zeggen stoffen die van invloed zijn op het proces van zintuiglijke waarneming en verwerking van het waargenomene in de menselijke geest, levert een zwaarwegende aanwijzing dat het gebruik van deze stoffen invloed op de rijvaardigheid kan hebben. Voorts meen ik dat als een feit van algemene bekendheid moet worden beschouwd dat de invloed van psychotrope stoffen op waarnemings- en beoordelingsvermogen, gedragsregulatie en ook lichamelijke functies nadelig kan zijn. Het ligt daarom voor de hand dat ook de rijvaardigheid door het gebruik van psychotrope stoffen spoedig zal verminderen.
19. Het is een zwaarwegend belang dat de veiligheid van weggebruikers niet nodeloos in gevaar wordt gebracht. Dat belang is naar mijn inzicht te groot om de strafbaarheid van het besturen van motorrijtuigen na het gebruik van stoffen als MDMA en MDA afhankelijk te stellen van de beschikbaarheid van objectieve normen waarmee het verband tussen gebruik van zulke stoffen in een bepaalde hoeveelheid en een verminderde rijvaardigheid min of meer nauwkeurig kan worden gelegd.
20. Het komt mij daarom voor dat de rechter de vrijheid moet hebben om op grond van ervaringsregels, en a fortiori op grond van een deskundig oordeel dat aan ervaringsregels is ontleend, vast te stellen dat een bestuurder van een motorrijtuig na gebruik van bewustzijnsveranderende stoffen in een zekere hoeveelheid niet in staat geacht moet worden het voertuig naar behoren te besturen.
21. Nu het Hof beschikte over een dergelijk deskundig oordeel (dat tot bewijs van het tenlastegelegde heeft bijgedragen) kon het in dit middel bedoelde verweer slechts worden verworpen, zodat het middel vruchteloos is voorgesteld.
22. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden.