ECLI:NL:PHR:2004:AO4048
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling wegens rijden onder invloed van MDMA en MDA zonder objectieve limieten
In deze zaak stond de vraag centraal of het gebruik van MDMA en MDA in een zodanige concentratie in het bloed strafbaar is als het leidt tot vermindering van rijvaardigheid, ook zonder objectieve normen zoals bij alcoholgebruik. Het gerechtshof had verdachte veroordeeld tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor negen maanden op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
De verdediging voerde aan dat zonder duidelijke objectieve limieten en zonder bewijs van daadwerkelijk gevaarlijk rijgedrag geen strafbaarheid kon worden aangenomen. Tevens werd een rapport van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid aangevoerd, waarin werd gesteld dat enkelvoudig drugsgebruik geen significant extra risico op de weg oplevert.
De Hoge Raad oordeelde dat het niet noodzakelijk is dat daadwerkelijk gevaarlijk rijgedrag wordt vastgesteld; het gaat om een potentiële vermindering van rijvaardigheid. Psychotrope stoffen zoals MDMA en MDA beïnvloeden het waarnemings- en beoordelingsvermogen, waardoor het logisch is dat rijvaardigheid vermindert. Het hof mocht op basis van een deskundigenrapport concluderen dat verdachte niet tot behoorlijk besturen in staat was. Het beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling wegens rijden onder invloed van MDMA en MDA zonder noodzaak van objectieve limieten voor rijvaardigheidsvermindering.