1 De feiten zijn ontleend aan het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 juli 2000 (rov. 1) en het in cassatie bestreden arrest van het Hof Den Haag van 30 oktober 2002 (rov. 2).
2 Deze parafrase vindt natuurlijk zijn oorsprong in het overbekende "Haviltex"-arrest, HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 m.nt. CJHB, rov. 2 - een overweging die in tientallen latere uitspraken wordt aangehaald.
3 Natuurlijk zijn ook de wet en het gewoonterecht belangrijke bronnen voor de nadere vaststelling van een rechtsverhouding. Daarop is echter in deze zaak geen beroep gedaan; en daarom laat ik die verder buiten beschouwing.
Van de overvloedige literatuur over de hier zeer kort samengevatte "hoofdpunten" van de leer betreffende de bepaling van de inhoud van (contractuele) rechtsverhoudingen noem ik Asser - Hartkamp II, 2001, nrs. 279 - 283, 290 en 295 - 297; Brunner - De Jong, Verbintenissenrecht Algemeen, 1999, nrs. 26 - 29; Brahn - Reehuis, Zwaartepunten van het vermogensrecht, 1999, nrs. 468 - 481.
4 Ik ben mij er van bewust dat ik hier een gevoelige kwestie aansnijd, waarover bijvoorbeeld anders wordt geleerd in het Interim rapport fundamentele herbezinning Nederlands burgerlijk procesrecht van Asser - Groen - Vranken - Tzankova, eind vorig jaar verschenen. Voor de onderhavige zaak behoeft dit punt intussen niet verder te worden uitgediept, al was het maar omdat ook het in dit Interim rapport ingenomen standpunt hier geen andere uitkomst zou opleveren.
Zie over de door mij genoemde regels betreffende de door de rechter in acht te nemen beperkingen Asser - Hartkamp II, 2001, nr. 288 met verdere vindplaatsen, waarvan zeer informatief: Contractenrecht (losbl.) IV, De Klerk - Leenen, nr. 98.
5 Omdat partijen hun rechtsverhoudingen (hoogst) zelden volledig regelen (terwijl de partijen in het onderhavige geval een bij uitstek onvolledige regeling waren aangegaan), verbaast het niet als de rechter ook als er over zo'n rechtsverhouding geprocedeerd wordt, de nodige vragen tegenkomt die door partijen in het ongewisse zijn gelaten. Ook dan geldt, ontdaan van franje: hij moet handelen naar bevind van zaken.
6 Overigens geeft het in deze bepaling geschetste model van totstandkoming van overeenkomsten, slechts een "modelmatige" benadering van een zeer pluriforme werkelijkheid, zie bijvoorbeeld Asser - Hartkamp II, 2001, nrs. 135 e.v.; Brahn - Reehuis, Zwaartepunten van het vermogensrecht, 1999, nr. 357.
7 Verbintenissenrecht (losbl.), Wissink, art. 81, aant. 19; Asser - Hartkamp I, 2004, nr. 359 sub a. en sub d., 360; Hopmans - Knijp, Executief 2003, p. 108; Brunner - De Jong, Verbintenissenrecht Algemeen, 1999, nr. 187 (slot) naast nr. 189 en nr. 195, slot; Brahn - Reehuis, Zwaartepunten van het vermogensrecht, 1999, nr. 551; Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 282; Schut, oratie (door mij geraadpleegd in "De iure", Verzamelde geschriften, 1983, p. 6 en 7).
8 Ik begrijp deze overweging (rov. 5) van het hof aldus, dat het hof met "misbaksels" hier de ondeugdelijke potten bedoelt die niet in [eiser]' productieproces zijn verwerkt, maar (dadelijk) zijn geretourneerd en gecrediteerd; zie ook alinea 18 hierna.
9 In rov. 7 lijkt het hof die gedachte dan ook (alsnog) te omarmen, zie ook alinea's 22 - 25 hierna.
10 Van Dunné, Verbintenissenrecht in ontwikkeling, supplement 1987, p. 83 e.v. beschrijft beeldend hoe "garanties" ook vaak worden toegepast, juist om (gedeeltelijke) exoneratie te bewerkstelligen. Dat ook voor garanties uitleg voor hun betekenis beslissend is - overigens geen opzienbarende vaststelling - wordt bevestigd bij Brunner - De Jong, Verbintenissenrecht Algemeen, 1999, nr. 188.
11 De in voetnoot 7 aangehaalde vindplaatsen laten zien hoe de hier beschreven situatie verschillend kan worden "uitgelegd".