ECLI:NL:PHR:2004:AO5667

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R04/003HR
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 407 lid 1 RvArt. 426a lid 1 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet-naleving procesvereisten

Verzoeker heeft bij brief van 14 oktober 2003 de Hoge Raad verzocht een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 18 juli 2003 te vernietigen. Deze uitspraak is echter niet overgelegd. De Hoge Raad oordeelt dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn cassatieberoep omdat het beroep niet is ingesteld via een dagvaarding, zoals vereist bij een dagvaardingsprocedure volgens artikel 407 lid 1 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

Indien de procedure op rekest is ingesteld, had het verzoekschrift moeten worden ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad conform artikel 426a lid 1 Rv. De brief van verzoeker voldoet hier niet aan omdat deze niet door een advocaat is ondertekend. Hierdoor voldoet het cassatieberoep niet aan de formele vereisten.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijk verklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep. De Hoge Raad volgt deze conclusie en verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk. Hiermee wordt het verzoek van verzoeker afgewezen zonder inhoudelijke behandeling van de zaak.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-naleving van procesvereisten.

Conclusie

Rek.nr. R04/003HR
Mr L. Strikwerda
Parket, 5 maart 2004
conclusie inzake
[verzoeker]
Edelhoogachtbaar College,
1. Verzoeker van cassatie, hierna: [verzoeker], heeft bij brief van 14 oktober 2003, ingekomen ter griffie van de Hoge Raad op 17 oktober 2003, de Hoge Raad verzocht - naar ik begrijp - een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage d.d. 18 juli 2003 waarbij vorderingen van [verzoeker] zouden zijn afgewezen, te vernietigen. De uitspraak is niet overgelegd.
2. [Verzoeker] kan in zijn verzoek, dat kennelijk ertoe strekt cassatieberoep in te stellen tegen voormelde uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, niet worden ontvangen. Indien moet worden aangenomen dat de bij het Hof gevoerde procedure een dagvaardingsprocedure is, had het cassatieberoep ingevolge het bepaalde in art. 407 lid 1 Rv Pro bij dagvaarding moeten worden ingesteld. De voormelde brief van 14 oktober 2003 is geen dagvaarding. Indien aangenomen moet worden dat de bestreden uitspraak is gegeven op rekest, had het verzoekschrift ingevolge het bepaalde in art. 426a lid 1 Rv getekend moeten worden door een advocaat bij de Hoge Raad. De voormelde brief van 14 oktober 2003 is niet getekend door een advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijk verklaring van [verzoeker] in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,