ECLI:NL:PHR:2004:AO5828
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen vervangende hechtenis bij ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel
In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem de veroordeelde veroordeeld voor handelen in strijd met een verbod uit artikel 3, eerste lid, onder C van de Opiumwet en het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €4.537,80. Dit bedrag is gebaseerd op twee oogsten van hennepplanten, waarbij rekening is gehouden met een groothandelsprijs en kosten.
De raadsman van de veroordeelde voerde verweer dat er geen sprake was van voordeel omdat de totale opbrengst in beslag was genomen en de gemaakte kosten het voordeel zouden neutraliseren. Het hof oordeelde echter dat de veroordeelde financieel voordeel had genoten en baseerde dit op wettige bewijsmiddelen waaronder de vondst van een hennepkwekerij en geurwaarnemingen.
In cassatie werd onder meer geklaagd over het bewijs en de vaststelling van het voordeel, maar de Hoge Raad verwierp deze klachten omdat in de ontnemingsprocedure niet meer wordt teruggekomen op de vraag of het ten laste gelegde is begaan, maar alleen op de hoogte van het te ontnemen voordeel.
De Hoge Raad vernietigt het arrest echter voor zover het hof vervangende hechtenis heeft opgelegd, omdat op grond van het nieuwe artikel 577c Sv in deze zaak geen vervangende hechtenis kan worden opgelegd. Voor het overige wordt het beroep verworpen.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor zover vervangende hechtenis is opgelegd; de ontnemingsvordering van €4.537,80 blijft gehandhaafd.