ECLI:NL:PHR:2004:AO5848
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling onrechtmatig verkregen bewijs bij binnentreden bedrijfsruimte zonder woningkarakter
In deze zaak stond centraal de vraag of het binnentreden door verbalisanten in een bedrijfsruimte, waar een hennepplantage werd aangetroffen, onrechtmatig was omdat de ruimte mogelijk een woningkarakter zou hebben. De politie betrad de bedrijfsruimte na een verdenking van overtreding van de Opiumwet en nam voor de hand liggende goederen in beslag, waaronder plastic zakken en een boodschappentas met hennep.
Het hof oordeelde dat de bedrijfsruimte niet als woning moest worden aangemerkt, ondanks de aanwezigheid van een bankstel, televisietoestel en een kleine keuken, en dat er geen sprake was van stelselmatig zoeken maar slechts van inbeslagname van voor de hand liggende goederen. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwees naar de parlementaire geschiedenis waarin het begrip woning niet strikt wordt gedefinieerd, maar afhangt van de feitelijke bestemming en het privé-karakter van de ruimte.
De Hoge Raad overwoog dat het enkele feit dat verdachte soms in de ruimte verbleef en er sliep, niet voldoende is om de ruimte als woning aan te merken. Ook het openen van de aangetroffen tassen en zakken om de inhoud te onderzoeken viel binnen de bevoegdheid om voor de hand liggende goederen in beslag te nemen. Het beroep van verdachte op het uitsluiten van bewijs wegens onrechtmatigheid werd verworpen.
De uitspraak bevestigt de grenzen van het begrip woning in het strafprocesrecht en verduidelijkt de bevoegdheden van opsporingsambtenaren bij het betreden en onderzoeken van bedrijfsruimten zonder woningkarakter.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hofarrest blijft in stand en verdachte is veroordeeld tot een taakstraf.