ECLI:NL:PHR:2004:AO5857
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid klaagschrift teruggave inbeslaggenomen goederen na termijn art. 116 lid 3 Sv
In deze zaak stond de ontvankelijkheid centraal van een klaagschrift dat door de beslagene was ingediend tegen het voornemen van de officier van justitie tot teruggave van inbeslaggenomen goederen. De officier van justitie had de beslagene schriftelijk geïnformeerd over het voornemen tot teruggave en de mogelijkheid om binnen veertien dagen bezwaar te maken conform art. 116 lid 3 Sv Pro. De beslagene diende echter pas na het verstrijken van deze termijn een klaagschrift ex art. 552a Sv in.
De rechtbank verklaarde het klaagschrift niet-ontvankelijk voor zover het betrekking had op goederen waarvoor tijdig geen bezwaar was gemaakt. De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en stelde dat art. 116 lid 3 Sv Pro een termijn bevat waarbinnen de beslagene bezwaar moet maken tegen het voornemen tot teruggave. Indien dit niet gebeurt, kan de beslagene niet alsnog via een klaagschrift ex art. 552a Sv ontvankelijk worden verklaard.
De brief van de raadsman aan de officier van justitie met bezwaar was geen formeel klaagschrift en kon de termijn niet verlengen. Wel blijft de beslagene bevoegd om te klagen over het uitblijven van daadwerkelijke teruggave zolang de officier van justitie nog niet tot uitvoering is overgegaan. De Hoge Raad vernietigde daarom het vonnis voor zover de beslagene niet-ontvankelijk werd verklaard en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling.
Deze uitspraak verduidelijkt de strikte toepassing van de termijn in art. 116 lid 3 Sv Pro en de verhouding tot het klaagschrift ex art. 552a Sv, waarmee rechtszekerheid wordt bevorderd in procedures rond inbeslagname en teruggave van goederen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het klaagschrift niet-ontvankelijk voor de goederen waarvoor niet tijdig bezwaar is gemaakt en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.