ECLI:NL:PHR:2004:AO6270
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling wrakingsverzoek tegen raadsheren Hoge Raad wegens vermeende vooringenomenheid
In deze zaak heeft de verdachte op 4 december 2003 en 15 maart 2004 een wrakingsverzoek ingediend tegen de raadsheren die zijn zaak bij de Hoge Raad behandelen. De kern van het verzoek is dat de raadsheren niet zouden hebben geschorst nadat de raadsman van de verdachte zich had teruggetrokken, en dat de Hoge Raad vooringenomen zou zijn door het toestaan van een onvolledige voorstelling van zaken door de voormalig raadsman.
De Procureur-Generaal bespreekt eerst de vraag of voor wrakingsverzoeken verplichte procesvertegenwoordiging geldt, en concludeert dat dit niet het geval is. Vervolgens wordt de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aangehaald, waarbij zowel een subjectieve als een objectieve maatstaf voor rechterlijke onpartijdigheid worden gehanteerd.
De feiten en omstandigheden die verzoeker aanvoert, worden niet als voldoende gegrond beschouwd. Het verzoek mist feitelijke grondslag, aangezien de Hoge Raad de zaak heeft aangehouden om de verdachte in de gelegenheid te stellen een nieuwe raadsman te vinden. Daarnaast bestaat er geen plicht voor de voormalig raadsman tot rechtsbijstand en is er geen sprake van een overduidelijk tekortschieten van de raadsman of vooringenomenheid van de raadsheren.
De conclusie luidt dat het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard, en subsidiair dat het verzoek ongegrond is en moet worden afgewezen. De verdachte wordt geadviseerd een nieuwe raadsman te zoeken en klachten over de voormalige raadsman bij de deken van de Orde van Advocaten in te dienen.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard en subsidiair afgewezen wegens gebrek aan gegronde feiten voor vooringenomenheid.