1 Zie rov. 1.1 t/m 1.22 van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 3 maart 1999 en de rov. 1.1 t/m 1.7 van het vonnis van de rechtbank van 29 september 1999, van welke feiten ook het hof in het bestreden arrest is uitgegaan (zie rov. 1).
2 Zie de CvR onder 6-10 en 12 (rolnr. 97/3019).
3 Zie de CvR tevens houdende akte vermeerdering eis (rolnr. 97/3047).
4 Zie haar vonnissen van 25 november 1997.
5 In zaak 97/3019 heeft de man aanvankelijk een reconventionele vordering ingesteld, doch deze bij akte houdende intrekking eis in reconventie van maart 1998 weer ingetrokken, aangezien hij in in de zaak 97/3047 eenzelfde eis had ingesteld.
6 De cassatiedagvaarding is op 8 januari 2003 uitgebracht.
7 Zie de MvG onder 6-11 en 22-34.
8 In het bestreden arrest ontbreekt rechtsoverweging 3.
9 Zie over dit onderscheid Klaassen/Eggens/Luijten 1 (Huwelijksgoederenrecht), 1999, p. 207-208. Zie ook De Bruijn/Soons/Kleijn/Huijgen/Reinhartz, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht, 1999, nr. 167, p. 260. Zie voorts H.C.F. Schoordijk, NTBR 2003, p. 7-8. Zie ook A-G Moltmaker in zijn conclusie vóór HR 15 februari 1985, NJ 1985, 885 m.nt. EAAL (onder 3.1).
10 Zie o.m. het preadvies van T.R. Hidma, Huwelijkse voorwaarden in harmonie en conflict, 1994, par. 13.2.2.
11 Zie in deze zin A-G De Vries Lentsch-Kostense in haar conclusie vóór HR 12 december 2003, RvdW 2003, 192; JOL 2003, 650 (onder 12). Zie voorts HR 6 december 2002, RvdW 2002, 201; JOL 2002, 666 (rov. 3.5): "Onderdeel B neemt met juistheid tot uitgangspunt dat de obligatoire verplichting tot verrekening de goederenrechtelijke werking van het gekozen stelsel niet kan wijzigen". Zie ook de nota n.a.v. verslag (27 554), Parl. Gesch. Tweede Tranche Moderniseringswetgeving Huwelijksvermogensrecht (Verstappen/Wortmann), p. 218.
12 Zie voor de stellingname van de man in eerste aanleg in de zaak 97/3047 CvR, p. 5 en in de zaak 97/3019 CvD, p. 6-7. Zie in hoger beroep MvG, p. 3 en zijn reactie op de drie appelgrieven van de vrouw op p. 4-7. Zie voor de stellingname van de vrouw de verklaring van haar advocaat (mr. Lasschuit) in het p.-v. van de rechtbank van 24 april 1998, p. 3 sub 1.
13 CvR tevens houdende akte vermeerdering van eis, p. 5.
14 Vgl. HR 16 januari 1987, NJ 1987, 912 m.nt. EAAL; HR 26 mei 1989, NJ 1990, 23 m.nt. EAAL en HR 31 mei 1996, NJ 1996, 686 m.nt. WMK.
15 Zie hierover Asser-De Boer (2002), nr. 488. Zie recent A-G De Vries Lentsch-Kostense in haar conclusie vóór HR 12 december 2003, RvdW 2003, 192; JOL 2003, 650 (onder 12).
16 Vaste rechtspraak sinds HR 9 mei 1952, NJ 1953, 563 m.nt. PhANH waar is aangegeven dat de beginselen van goede trouw en billijkheid de rechtsverhouding tussen de deelgenoten in de ontbonden huwelijksgemeenschap mede bepalen. Zie o.m. HR 16 januari 1981, NJ 1981, 312 m.nt. EAAL (Katwijkse boedelverdeling); HR 27 november 1981, NJ 1982, 503 m.nt. EAAL en WHH (Boon/Van Loon); HR 15 februari 1985, NJ 1985, 885 m.nt. EAAL; HR 12 juni 1987, NJ 1988, 150 m.nt. EAAL (Smit/Kriek); HR 7 april 1995, NJ 1996, 486 m.nt. WMK (Vossen/Swinkels; HR 2 maart 2001, NJ 2001, 583 (Slot/Ceelen) en NJ 2001, 584 (Vissersbedrijf); HR 26 oktober 2001, NJ 2002, 93 m.nt. WMK (Lindner/Mannaerts) en HR 18 april 2003, NJ 2003, 441. Zie over de redelijkheid en billijkheid (objectieve goede trouw) in het huwelijksvermogensrecht: E.A.A. Luijten in de congresbundel "Personenrecht in beweging", 1988, p. 73-91; M.J.A. van Mourik, WPNR 5811, p. 1-5 met een reactie van A.J.H. Pleysier, WPNR 5826, p. 243-244 met naschrift van Van Mourik; J.M. van Dunné, WPNR 5849, p. 607-610 met reacties van Van Mourik en Van Schilfgaarde en P. Abas, WPNR 6371, p. 681-688 met verdere gegevens.
17 Zie ook HR 6 december 2002, RvdW 2002, 201; JOL 2002, 666 (rov. 3.7).
18 Zie punt 7 van zijn noot onder het arrest.
19 Met het oog op de praktijk geeft hij nog een waarschuwing: "Alhoewel deze (veronderstelde) bedoeling in het onderhavige geval wel enigszins voor de hand lag, zal men toch terughoudend moeten zijn met het op die grond opzijzetten van de regels van het huwelijksvermogensrecht omtrent het AV, de zaaksvervanging, en het toepassen van de vergoedingsrechten. Op deze wijze komt er een onvoorspelbaar element in het trekken van conclusies uit de financiële handel en wandel tussen echtgenoten. Het is voor het vervolg wellicht raadzaam reeds bij de eerdere instantie(s) deze bedoeling van de echtgenoten, voorzover deze van de "ouderwetse" regels van zaaksvervanging en vergoeding afwijken aan de orde te stellen casu quo te weerspreken, waar nodig." (zie onder 8).