Geschonden verdedigingsbelang
Bij de behandeling van deze zaak op de zitting van 30 maart 2001 is op bovenstaande punten door de verdediging reeds verweer gevoerd. De rechtbank heeft zich daarover uitgelaten en onder meer overwogen dat:
"een dergelijke gang van zaken een ernstige benadeling in de verdediging van de verdachte is, waartegen in elk stadium van het geding verweer moet kunnen worden gevoerd."
Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat:
"het onderzoek ter terechtzitting (d.d. 1 augustus 2000) zich niet heeft kunnen uitstrekken tot het onder 2 tenlastegelegde feit en evenmin tot het daarmee samenhangende feit, dat de officier van Justitie thans ex artikel 314a Sv als feit 3 heeft opgevoerd."
De verdediging is van mening dat deze laatste zinsnede toch ook zeker voor het onderzoek ter terechtzitting van 26 oktober 2000 had moeten gelden. Hoe kan het immers zo zijn dat het onderzoek ter terechtzitting d.d. 1 augustus 2000 zich niet tot feit 2 heeft kunnen uitstrekken en dat plotseling op 26 oktober 2000 bij de behandeling bij verstek het onderzoek zich wel tot feit 2, en de daarmee samenhangende vordering nadere omschrijving tenlastelegging, uitstrekt?
Toch heeft de rechtbank ter terechtzitting d.d. 26 oktober 2000 kennelijk (dit is namelijk niet expliciet gedaan) de gevorderde wijziging tenlastelegging toegelaten. De verdediging heeft zich daaromtrent niet kunnen uitlaten en is door deze handelswijze ernstig in haar belangen geschaad. Verweer op dit onderdeel zou ter terechtzitting d.d. 11 januari 2001 mosterd na de maaltijd zijn geweest, nu de wijziging immers al was toegelaten.
De rechtbank heeft op 30 maart 2001 voorts overwogen dat de verdediging haar recht heeft verspeeld door op 11 januari 2001 inhoudelijk verweer te voeren ten aanzien van de feiten 2 en 3. De verdediging betwist dit oordeel. Vooropgesteld moet worden dat het verweer op 11 januari 2001 zeer summier is geweest en slechts is gevoerd in het kader van de voorlopige hechtenis. Er heeft geen inhoudelijk overleg tussen de toenmalige raadsman en cliënt plaats kunnen vinden. De vordering nadere omschrijving tenlastelegging was cliënt immers nog niet eens betekend. Ter terechtzitting d.d. 30 maart 2001 is tot stomme verbazing van de verdediging het gevoerde preliminair verweer verworpen. Toch is toen verweer gevoerd ten aanzien van de feiten 2 en 3, doch dit heeft inhoudelijk niet goed voorbereid kunnen worden. Dit moge onder meer blijken uit het feit dat de pleitaantekeningen m.b.t. de feiten 2 en 3 ook slechts enkele klad aantekeningen betroffen, welke niet meer dan een neerslag vormde van enkele a prima vista opkomende gedachtenspinsels. Dit heeft geen gedegen inhoudelijk verweer kunnen zijn. Indien de verdediging deze procesloop op voorhand had kunnen voorzien, dan had zij toch op z'n minst de getuige [slachtoffer 2] ter zitting willen horen.
De door de verdediging aangevoerde partiële nietigheid van de inleidende dagvaarding betreft een formele nietigheid. Slechts indien redelijkerwijs gesteld zou kunnen worden dat geen enkel verdedigingsbelang is geschaad, zou een dergelijke nietigheid voor gedekt gehouden kunnen worden. Daarvan is in dit geval echter geen sprake. Naast het hiervoor genoemde belang van een adequate voorbereiding speelt nog het volgende. De strafvorderlijke regels aangaande de voorlopige hechtenis en de eventueel daarop volgende verdere vervolging zijn er om verdachten te beschermen tegen willekeurig overheidshandelen. Verdachten dienen op enig moment te weten waar ze aan toe zijn.
In dit geval is voorlopige hechtenis toegepast ter zake van feit 1. Een vordering tot uitbreiding van de gronden werd door de rechtbank afgewezen. Op 1 augustus 2000 wordt cliënt echter toch geconfronteerd met een tweede feit op zijn dagvaarding. Op 26 oktober 2000 wordt daar (tijdens behandeling bij verstek) ook nog eens een derde feit aan toegevoegd. Deze laatste wijziging wordt cliënt niet betekend en hij wordt hier eerst ter terechtzitting d.d. 11 januari 2001 mee geconfronteerd. Deze handelswijze heeft, in elk geval in de ogen van cliënt, een tamelijk willekeurig karakter.
Het verdedigingsbelang is door deze gang van zaken naar mijn mening in zo'n ernstige mate geschaad, dat hierop niet anders kan worden gereageerd dan met de (partiële) nietigverklaring van de inleidende, en later gewijzigde dagvaarding, voor wat betreft de feiten 2 en 3."