Art. 399 RvArt. 382 RvArt. 1286 BWPensioen- en Spaarfondsenwet
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging en verwijzing wegens onvoldoende gemotiveerde afwijzing van rentenadeelvordering pensioenpremies
In deze zaak procederen vijf eisers tegen Technisch Adviesbureau Treffers B.V. (TAT) over te weinig afgedragen pensioenpremies gedurende de periode van 1 januari 1984 tot 1 oktober 1986. De eisers vorderen betaling van de premies vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 maart 1992. De rechtbank heeft een deel van de vordering toegewezen en het meer of anders gevorderde afgewezen met een standaarddictum.
De eisers stelden in cassatie dat de rechtbank niet had beslist over het rentenadeel dat zij geleden zouden hebben vóór 1 maart 1992. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank wel degelijk deze vordering heeft afgewezen, maar dat deze afwijzing onvoldoende is gemotiveerd. Volgens de Hoge Raad is dit een gegronde klacht die niet kan worden gepasseerd zonder nadere beoordeling.
De Hoge Raad bespreekt ook de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en bevestigt dat klachten over onvoldoende motivering bij afwijzing van vorderingen die in het dictum zijn meegenomen, wel ontvankelijk zijn. De zaak wordt vernietigd en verwezen naar een lagere rechter voor verdere behandeling, met veroordeling van TAT in de kosten van het geding.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt en verwijst de zaak wegens onvoldoende motivering van de afwijzing van de rentenadeelvordering.
Conclusie
Zaaknr. C01/013HR
Mr. Huydecoper
Zitting van 9 april 2004
Conclusie inzake
1. [eiser 1]
2. [eiser 2]
3. [eiser 3]
4. [eiser 4]
5. [eiser 5]
eisers tot cassatie
tegen
Technisch Adviesbureau Treffers B.V.
verweerster in cassatie
Feiten en procesverloop
1) Voor een uitgebreide weergave van de feiten verwijs ik naar het (tussen)vonnis van de rechtbank te Utrecht van 12 april 1995, rov. 4. In cassatie is alleen het volgende nog van belang:
2) De eisers tot cassatie, [eiser] c.s., hebben een dienstverband gehad met de verweerster in cassatie, TAT. In het kader daarvan gold voor [eiser] c.s. een pensioenregeling. TAT heeft - om redenen die in cassatie niet meer van belang zijn - over de periode van 1 januari 1984 tot 1 oktober 1986 te weinig pensioenpremies afgedragen.
3) [Eiser] c.s. hebben TAT(1)• onder andere aangesproken tot betaling van f. 123.623,- terzake van te weinig afgedragen pensioenpremies, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 1992(2),(3). Het bedrag van f. 123.623,- was volgens de inleidende dagvaarding als volgt opgebouwd:
"7. [Eiser] c.s. hebben terzake van de te weinig afgedragen premies van TAT te vorderen de volgende bedragen:
* [eiser 1]: f 14.698,--
* [eiser 2]: f 24.925,--
* [eiser 3]: f 21.595,--
* [eiser 4]: f 10.143,--
* [eiser 5]: f 5.998,--
------------
Totaal:f 77.359,--
8. Voorts hebben [eiser] c.s. recht op vergoeding van het (rente)nadeel dat zij lijden door de te late storting van de te weinig betaalde premies. Dit nadeel bedraagt per 1 maart 1992, op basis van 8% 's jaars:
* [eiser 1]: f 8.790,--
* [eiser 2]: f 14.906,--
* [eiser 3]: f 12.915,--
* [eiser 4]: f 6.066,--
* [eiser 5]: f 3.587,--
------------
Totaal: f 46.264,--"
4) De kantonrechter heeft deze vordering bij (eind)vonnis van 12 januari 1994 toegewezen. In hoger beroep heeft de rechtbank heeft deze beslissing bekrachtigd "voor zover daarbij aan [eiser] c.s. in totaal een bedrag van f 59.416,32(4), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 1992 tot de dag der voldoening is toegewezen" (rov. 19.1), het vonnis voor het overige vernietigd (rov. 19.2) en het meer of anders gevorderde afgewezen (rov. 19.4).
5) [Eiser] c.s. hebben (tijdig) cassatieberoep ingesteld. TAT heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] c.s. in hun cassatieberoep, en zich subsidiair gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad. Namens de partijen zijn hun standpunten schriftelijk toegelicht.
6) Het namens TAT in cassatie primair verdedigde standpunt gaat ervan uit dat het cassatieberoep van [eiser] c.s. in essentie berust op de klacht dat de rechtbank heeft verzuimd om te oordelen over de vordering van [eiser] c.s., voorzover die gebaseerd was op (vóór 1 maart 1992 geleden) rentenadeel - dus de post die in het hiervóór in alinea 3 weergegeven citaat onder nummer 8 wordt aangeduid. Voor een dergelijk verzuim zou, aldus dit verweer van TAT, naar het op deze zaak toepasselijke (proces)recht van vóór 1 januari 2002(5) (slechts) het buitengewone rechtsmiddel van rekest-civiel beschikbaar zijn (art. 382, aanhef en sub 4º Rv. (oud)); en dat zou aan de ontvankelijkheid van het cassatieberoep in de weg staan.
7) Het uitgangspunt waarop dit verweer berust, is juridisch juist. Inderdaad gold onder het "oude" procesrecht de zojuist omschreven regel(6); bovendien placht te worden aangenomen dat wanneer de rechter verzuimd had uitspraak te doen op een aan hem voorgelegd punt, de daardoor benadeelde partij de rechter (gewoon) kon vragen om alsnog op het betreffende punt te beslissen(7). Art. 399 RvPro. leverde, met het oog daarop, een beletsel voor de ontvankelijkheid van een op hetzelfde verzuim gebaseerd cassatieberoep op. Dat laatste is, zou ik denken, onder het sedert 1 januari 2002 geldende procesrecht (in weerwil van de nieuwe regeling van herziening, die de oude regeling voor het rekest-civiel heeft vervangen) net zo gebleven(8).
8) Onder de gelding van het vóór 1 januari 2002 bestaande procesrecht was echter wel verdedigd dat klachten gericht op de motivering van een beslissing waarbij aan een deugdelijk voorgedragen vordering of verzoek voorbij werd gegaan, in weerwil van de zojuist besproken rechtsleer in cassatie aanvaard konden worden(9); en gold dit a fortiori wanneer de beslissing waarover geklaagd werd weliswaar leek te berusten op een over het hoofd zien van het betreffende punt, maar in de uitspraak toch, expliciet of impliciet, een beslissing over dat punt was gegeven. Dat laatste doet zich dan veelal in die vorm voor, dat in de beslissing een dictum is opgenomen dat ertoe strekt dat het meer of anders gevorderde of verzochte wordt afgewezen(10). In dit (tweede) geval gelden géén van de eerder besproken beletselen voor cassatieberoep: er is, op de keper beschouwd, geen beslissing die met rekest-civiel óf met een verzoek tot aanvulling aan dezelfde rechter zou kunnen worden geredresseerd, maar (gewoon) een definitieve beslissing waarin het gevorderde of verzochte wordt afgewezen - en die, in de hier veronderstelde gevallen, inderdaad vaak onvoldoende gemotiveerd zal zijn.
9) Dit tweede geval doet zich in deze zaak voor: het in cassatie bestreden (eind)vonnis bevat, zoals bij de bespreking van de feiten al aangestipt, in alinea 19.4 het (standaard)dictum "Wijst het meer of anders gevorderde af.".
De rechter beoogt, met deze of dergelijke formules, gewoonlijk duidelijk te maken dat hiermee alle aan hem voorgelegde geschilpunten zijn afgedaan. Ik zie geen reden om daar in dit geval anders over te denken (en om, bijvoorbeeld, aan te nemen dat hier een - stilzwijgend - voorbehoud is gemaakt voor geschilpunten die over het hoofd gezien mochten zijn).
10) Daartoe is eens te minder aanleiding omdat, blijkens het bij de schriftelijke toelichtingen aangevoerde, de rechtbank in de intussen uitgestreden procedure in rekest-civiel, haar eigen eerdere vonnis ook zó heeft uitgelegd. Ofschoon de Hoge Raad niet aan die uitleg gebonden is (strikt genomen kan de Hoge Raad volgens mij zelfs geen kennis nemen van wat er in de rekest-civiel procedure is voorgevallen, nu het onderhavige dossier daarvoor geen feitelijke grondslag biedt), lijkt het mij bij uitstek aangewezen om de in die procedure aan het eerder gewezen vonnis gegeven uitleg - ook omdat die volgens mij de meest plausibele uitleg van dat vonnis is -, ook in cassatie te aanvaarden.
11) Hoewel het cassatiemiddel primair uitgaat van de veronderstelling dat de rechtbank op de vordering van [eiser] c.s. terzake van rentenadeel niet heeft beslist, klaagt het ook over het ontbreken van gronden waarop de ontzegging van die vordering is gebaseerd.
De eerstgenoemde veronderstelling lijkt mij dus niet juist, maar de subsidiaire - of alternatieve - klacht beoordeel ik als gegrond: dit onderdeel van de vordering van [eiser] c.s. is, in de zojuist als aanbevelenswaardig verdedigde uitleg van het in cassatie bestreden vonnis, inderdaad afgewezen, en partijen zijn het erover eens (en ik deel hun mening), dat voor deze afwijzing geen motivering, en dus ook geen dragende motivering wordt gegeven.
12) Op dit punt heeft TAT zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad, (misschien mede) met de bedoeling om bij eventuele aanvaarding van deze klacht een kostenveroordeling te ontlopen. Ik zie daarvoor echter geen aanleiding, nu TAT in cassatie wél verweer heeft gevoerd (en dat verweer in mijn opvatting niet behoort te worden gehonoreerd)(11).
13) Voor het overige is noch in cassatie noch in de feitelijke instanties iets aangevoerd dat ertoe zou kunnen leiden dat aan de onderhavige vordering van [eiser] c.s. zonder nader onderzoek voorbij zou kunnen worden gegaan(12). (Men zou in dit verband bijvoorbeeld kunnen denken aan de regel van art. 1286 (oud) BW. Op (feiten die tot) toepassing van die regel (zouden kunnen leiden) is echter namens TAT in de eerdere instanties geen beroep gedaan, en de regel zelf is ook in cassatie niet ter sprake gebracht. Ik denk overigens dat dat met goede reden niet is gedaan, omdat in cassatie niet kan worden aangenomen dat hier sprake was van een verbintenis die uitsluitend tot inhoud heeft het betalen van geld, zoals die in de onder vigeur van art. 1286 (oud) BW gevormde rechtspraak nader was omlijnd(13).)
[Eiser] c.s. hebben er dus aanspraak op dat hun onderhavige (deel)vordering alsnog wordt beoordeeld.
Conclusie
Ik concludeer tot vernietiging en verwijzing, met veroordeling van de verweerster in cassatie in de kosten.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
1 Naast TAT is ook de houdstermaatschappij Treffers Beheer B.V. gedagvaard. De zaak tegen deze vennootschap heeft de rechtbank echter verwezen naar het gerechtshof (vonnis van 12 april 1995, rov. 6.2).
2 Daarnaast procedeerden partijen over andere vorderingen, die in cassatie geen rol meer spelen.
3 Men kan zich afvragen hoe deze vordering zich verdraagt met de Pensioen- en Spaarfondsenwet (bijvoorbeeld met art. 2 lid 5 daarvanPro). Die vraag wordt echter in cassatie niet aan de orde gesteld (en is ook in de feitelijke instanties niet aangeroerd). Ik ga er daarom - met enige opluchting - aan voorbij.
4 Dit bedrag is blijkens het eindvonnis van de rechtbank verkregen door optelling van de telkens per jaar berekende premietekorten uit een deskundigenbericht dat op 1 november 1999 in deze zaak werd uitgebracht (ter griffie gedeponeerd). Bij de aldus opgetelde bedragen is - zoals ik uit het deskundigenbericht zelf denk te kunnen opmaken - geen rekening gehouden met het rentenadeel van vóór 1 maart 1992, dat in de hoger aangehaalde alinea 8 van de inleidende dagvaarding wordt bedoeld.
5 Dus het recht van vóór de wet van 6 december 2001, Stb. 580 tot herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken.
7 HR 10 juni 1994, NJ 1994, 654, rov. 3.2; HR 27 juni 1980, NJ 1980, 590, rov. 4; Inmiddels is hierin in art. 32 RvPro. expliciet voorzien. De hier besproken gedachte is voor het eerste verdedigd door Ten Kate, Het request-civiel, diss. 1962, p. 316 e.v.; zie ook diens conclusie voor HR 27 juni 1980, NJ 1980, 590.
9 Zie bijvoorbeeld Veegens - Korthals Altes - Groen, Cassatie in Burgerlijke Zaken, 1989, nr. 53; Burgerlijke Rechtsvordering (losbl., (oud)), Korthals Altes, art. 382, aant. 25; Langemeijer in "Het rekest-civiel herroepen", 2001, p. 14; alinea's 6 en 7 van de conclusie van A-G Koopmans voor HR 30 juni 1995, rechtspraak.nl LJN nr. ZC1776 en rov. 3.2 van dat arrest; en HR 17 mei 1985, NJ 1985, 683, rov. 4.1 - 4.3. Ik ben echter geneigd te denken dat het bezwaar dat op de voet van de in voetnoot 7 aangehaalde rechtsleer aan art. 399 RvPro. wordt ontleend, in dit verband ook voor motiveringsklachten opgeld doet.
10 Zie daarover Van Mierlo - Bart, Parlementaire Geschiedenis (van het "nieuwe" Rv.), 2002, p. 181 - 183; Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Wesseling-Van Gent, art. 32, aant. 1; Cleveringa, Meijers-bundel, 1935, p. 206 - 209; en bijvoorbeeld HR 30 juni 1995, rechtspraak.nl LJN nr. ZC1776, rov. 3.2.
11 Veegens - Korthals Altes - Groen, Cassatie in Burgerlijke Zaken, 1989, nr. 171.
12 Waardoor mogelijk toepassing zou kunnen worden gegeven aan de regel dat een op zichzelf gegrond cassatieberoep moet worden verworpen, als in cassatie kan worden vastgesteld dat het door de desbetreffende partij ingenomen standpunt om andere redenen niet kan worden gehonoreerd; zie Veegens - Korthals Altes - Groen, Cassatie in Burgerlijke Zaken, 1989, nrs. 153 en 154.
13 Zie bijvoorbeeld HR 21 december 2001, RvdW 2002, 6, rov. 5.5.2; HR 29 april 1988, NJ 1988, 773 m.nt. G, rov. 3.2; HR 7 mei 1971, NJ 1971, 329; Asser - Hartkamp I, negende druk, 1992, nr. 524. (Uit het feit dat de rechtbank in alinea 11.9 sub d van het tussenvonnis van 20 augustus 1997 om nadere onderbouwing van deze vordering heeft gevraagd met verwijzing naar de twee laatstgenoemde beslissingen, valt overigens op te maken dat de rechtbank de aard van deze vordering in dit verband, (nog) niet als vaststaand heeft aangemerkt.)