9. Het middel faalt. Bij de beantwoording van de - in dit geding cruciale - vraag wat de omvang is van het perceel dat de Scheepswerf aan [verweerster] (en [betrokkene 1]) in eigendom heeft overgedragen komt het naar vaste jurisprudentie aan - zoals ook het middel betoogt - op de in de notariële akte van levering tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in deze akte opgenomen, naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte uit te leggen omschrijving van de over te dragen onroerende zaak, waarbij de notariële akte - ingeval de verkoper stelt dat de onroerende zaak volgens de omschrijving in de notariële akte groter is dan partijen bij de aan de overdracht ten grondslag liggende koopovereenkomst voor ogen stond - naar haar aard dwingend bewijs oplevert van wat partijen hebben verklaard te hebben ver- resp. gekocht met dien verstande dat daartegen in beginsel tegenbewijs openstaat. Zie: HR 22 april 1994, NJ 1995, 560, m.nt. WMK; HR 8 december 2000, NJ 2001, 350, m.nt. WMK en HR 13 juni 2003, C01/224HR, JOL 2003, 325 (nog niet gepubliceerd in de NJ); zie voorts Asser-Mijnssen-De Haan, 2001, nrs. 255-256 en 364-367. Het hof heeft dit niet miskend; het heeft evenmin de bij de uitleg van de leveringsakte te hanteren maatstaf onjuist toegepast. Het hof heeft - vooropstellend dat in casu het overgedragen perceel in de koopakte en de leveringsakte op dezelfde wijze werd omschreven - tot uitgangspunt genomen dat de in de transportakte opgenomen feitelijke omschrijving als weergave van de bedoeling van partijen met betrekking tot de begrenzing van het overgedragen stuk grond prevaleert boven de in de akte opgenomen kadastrale aanduiding. Dat uitgangspunt is juist. Zie Asser-Mijnssen-De Haan, 2001, nr. 366 met verdere verwijzingen waaronder de verwijzing naar HR 8 november 1963, NJ 1965, 4, m.nt. JHB; zie voorts de volgende passage uit de MvA II, Parl. Gesch. Invoering Boeken 3, 5 en 6, Kadasterwet, p. 124:
"Onder het nieuwe recht zal, zoals ook de commissie aannam, onverkort de regel van kracht blijven, dat voor de vragen op welke onroerende zaak de in te schrijven akte betrekking heeft en wat de begrenzing van het in de overdracht betrokken stuk grond is, beslissend is de in de akte tot uiting gebrachte bedoeling van partijen. Ook wordt geen verandering gebracht in het thans aanvaarde uitgangspunt dat, zo in de akte zowel een kadastrale aanduiding als een feitelijke omschrijving wordt opgenomen, in het algemeen de feitelijke omschrijving als weergave van de bedoeling van partijen, zal prevaleren."
Het hof heeft vervolgens, vaststellend dat het door de Scheepswerf te leveren perceel in de koop- en leveringsakte feitelijk was omschreven als "een woonhuis met erf en tuin", geoordeeld dat de verkoop en levering derhalve betrekking had op het woonhuis en de gehele tuin, ook voorzover deze zou liggen op het kadastrale perceel [A 002] waarvan de Scheepswerf ook eigenaar was, zodat in het onderhavige geval beslissend was tot waar de tuin bij het woonhuis zich feitelijk uitstrekte. Het hof heeft daarop geconcludeerd dat de tuin mede de litigieuze met de letter B aangeduide strook grond omvatte gezien de plaats waar zich destijds de betonnen schutting bevond die de tuin feitelijk afgrensde. 's Hofs op de uitleg van de leveringsakte gebaseerde oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting; 's hofs oordeel is ook niet onbegrijpelijk en behoefde evenmin nadere motivering. Daarop stuit het middel naar mijn oordeel reeds in zijn geheel af. Met betrekking tot de in de subonderdelen 1.2, 1.4 en 1.5 vervatte klachten merk ik nog het volgende op.
De in subonderdeel 1.2 vervatte klacht dat onjuist, althans onbegrijpelijk is 's hofs oordeel dat de omschrijvingen in de koop- en leveringsakte van het te leveren perceel onderling tegenstrijdig zijn aangezien in de koop- en leveringsakte niet alleen wordt verwezen naar het kadastrale nummer [A 001] maar ook is vermeld dat het verkochte perceel 9 are 60 centiare groot is, ziet eraan voorbij dat deze laatste vermelding kennelijk refereert aan de omvang van het kadastrale perceel zodat aan deze vermelding geen betekenis toekomt voorzover het gaat om de in de leveringsakte opgenomen feitelijke omschrijving van het overgedragen stuk grond. De in middelonderdeel 1.4 vervatte klacht dat het hof zijn oordeel dat [verweerster] ook strook B heeft verworven onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd aangezien de door dit subonderdeel bedoelde gegevens dwingend meebrengen dat niet is verkocht en overgedragen een perceel met een diepte van 55 meter maar een perceel met een diepte van ongeveer 47 meter, ziet eraan voorbij dat bij toepassing van de te dezen geldende maatstaf de enkele vermelding van de - aan het kadaster ontleende - grootte van het perceel niet doorslaggevend kan zijn evenmin als het gegeven dat in de leveringsakte bij de omschrijving van de ten behoeve van het litigieuze perceel op perceel [A 002] gevestigde erfdienstbaarheid wordt gerefereerd aan een lengte van het litigieuze perceel. De in middelonderdeel 1.5 vervatte klacht dat onjuist of onbegrijpelijk is 's hofs oordeel dat in het onderhavige geval beslissend is tot waar de tuin bij het woonhuis zich feitelijk uitstrekt nu het bij de uitleg van de koopakte wél aankomt op toepassing van de door het hof niet toegepaste Haviltex-formule, ziet eraan voorbij dat de notariële akte van levering naar haar aard dwingend bewijs oplevert van wat partijen hebben verklaard te hebben ver- resp. gekocht, met dien verstande dat daartegen in beginsel tegenbewijs openstaat; zie HR 22 april 1994, NJ 1995, 560, m.nt. WMK. Door het middel wordt niet betoogd dat tegenbewijs is aangeboden.