ECLI:NL:PHR:2004:AO8315
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vereisten bewijsvoering en motivering bij bewezenverklaring feitelijke aanranding en verkrachting
In deze zaak heeft het hof Arnhem verdachte veroordeeld voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid, verkrachting en poging tot ontuchtige handelingen met minderjarige slachtoffers. De bewezenverklaring omvatte onder meer dwang door andere feitelijkheden dan geweld, waaronder geestelijk overwicht en het in het vooruitzicht stellen van een geldbedrag.
De Hoge Raad stelt dat elk alternatief in de bewezenverklaring door bewijsmiddelen moet worden gedragen. Het hof heeft echter onjuist geoordeeld dat het in het vooruitzicht stellen van een geldbedrag op zichzelf dwang vormt, terwijl dit slechts een omstandigheid kan zijn die het slachtoffer tot medewerking brengt. Tevens ontbrak in de bewijsmiddelen een duidelijke aanduiding van de leeftijd en geestelijke gesteldheid van het slachtoffer, waardoor het overwicht van verdachte onvoldoende is onderbouwd.
Voor de verkrachtingsfeiten oordeelt de Hoge Raad dat het hof terecht aannam dat het slachtoffer door een door verdachte gecreëerde beklemmende situatie werd gedwongen, en dat verdachte dit opzettelijk heeft veroorzaakt. Ook de kwalificatie van poging tot ontucht met een kind wordt bevestigd, gelet op de gedragingen van verdachte die naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op voltooiing van het misdrijf.
De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het gaat om de motivering van de bewezenverklaring van de feitelijke aanranding en verwijst de zaak naar een ander hof voor hernieuwde beoordeling van dit onderdeel. De overige middelen worden verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor de motivering van de bewezenverklaring van feitelijke aanranding en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.