ECLI:NL:PHR:2004:AO8318
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid en tenuitvoerlegging bij hoger beroep in verkeerszaak
Verzoeker was door het gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld wegens overtreding van artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 tot een geldboete van €750 en een rijontzegging van zes maanden. In hoger beroep stelde verzoeker dat het openbaar ministerie onterecht ontvankelijk was verklaard omdat een eerdere dagvaarding niet was ingetrokken. De Hoge Raad constateerde dat uit de stukken niet bleek dat de zitting van 7 september 2000 had plaatsgevonden of dat het hof een beslissing had genomen naar aanleiding van die dagvaarding. Daarom werd aangenomen dat de procureur-generaal de dagvaarding vóór 5 november 2002 had ingetrokken, waarna het onderzoek werd geschorst.
Daarnaast klaagde verzoeker dat de tenuitvoerlegging was gelast terwijl hij nooit in eerste aanleg terecht had gestaan. Dit werd verworpen omdat in het dossier een aantekening van het mondeling vonnis aanwezig was. De Hoge Raad vond geen gronden om de beslissing te vernietigen en verwierp het beroep van verzoeker.
De zaak betreft de ontvankelijkheid van het OM in hoger beroep en de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging van een strafoplegging in een verkeerszaak. De Hoge Raad bevestigde dat de procedure correct was verlopen en dat de tenuitvoerlegging terecht was gelast.
Uitkomst: Het beroep van verzoeker wordt verworpen en de tenuitvoerlegging van de geldboete en rijontzegging blijft gehandhaafd.