ECLI:NL:PHR:2004:AO8318

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02277/03
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ontvankelijkheid en tenuitvoerlegging bij hoger beroep in verkeerszaak

Verzoeker was door het gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld wegens overtreding van artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 tot een geldboete van €750 en een rijontzegging van zes maanden. In hoger beroep stelde verzoeker dat het openbaar ministerie onterecht ontvankelijk was verklaard omdat een eerdere dagvaarding niet was ingetrokken. De Hoge Raad constateerde dat uit de stukken niet bleek dat de zitting van 7 september 2000 had plaatsgevonden of dat het hof een beslissing had genomen naar aanleiding van die dagvaarding. Daarom werd aangenomen dat de procureur-generaal de dagvaarding vóór 5 november 2002 had ingetrokken, waarna het onderzoek werd geschorst.

Daarnaast klaagde verzoeker dat de tenuitvoerlegging was gelast terwijl hij nooit in eerste aanleg terecht had gestaan. Dit werd verworpen omdat in het dossier een aantekening van het mondeling vonnis aanwezig was. De Hoge Raad vond geen gronden om de beslissing te vernietigen en verwierp het beroep van verzoeker.

De zaak betreft de ontvankelijkheid van het OM in hoger beroep en de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging van een strafoplegging in een verkeerszaak. De Hoge Raad bevestigde dat de procedure correct was verlopen en dat de tenuitvoerlegging terecht was gelast.

Uitkomst: Het beroep van verzoeker wordt verworpen en de tenuitvoerlegging van de geldboete en rijontzegging blijft gehandhaafd.

Conclusie

Nr. 02277/03
Mr Jörg
Zitting 20 april 2004
Conclusie inzake:
[verdachte = verzoeker]
1. Verzoeker is door het gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 27 januari 2003 wegens "overtreding van art. 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een geldboete van € 750,- met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf.
2. Namens verzoeker heeft mr E.R. Weening, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt dat het hof het openbaar ministerie ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging in hoger beroep.
4. Uit de stukken die bij de Hoge Raad zijn binnengekomen blijkt dat onder parketnummer 22.001211.00 een dagvaarding is uitgegaan om te verschijnen op 7 september 2000 ter terechtzitting van de enkelvoudige strafkamer van het gerechtshof te 's-Gravenhage. Deze dagvaarding is op 22 juni 2000 in persoon uitgereikt.
5. Bij de stukken bevindt zich geen proces-verbaal waaruit kan worden opgemaakt of er een zitting op 7 september 2000 heeft plaatsgevonden. Navraag bij het ressortsparket leerde mij dat de betreffende zittingsdatum in de geautomatiseerde bestanden niet is terug te vinden. Het enige dat boven water is gekomen is de zittingslijst voor 7 september 2000, opgemaakt in juni 2000, waarop voor de betreffende zaak vijf minuten staat uitgetrokken. Of de zitting daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, is onbekend. Evenmin is bekend of de dagvaarding op enig moment is ingetrokken.
6. Bij de stukken bevindt zich verder een dagvaarding met hetzelfde parketnummer voor de zitting van 5 november 2002. Deze dagvaarding is uitgereikt op het GBA-adres van verdachte aan de broer van verdachte. Uit het proces-verbaal terechtzitting blijkt dat verzoeker niet is verschenen. Er is verstek verleend en de zitting is geschorst voor onbepaalde tijd.
7. Verzoeker is vervolgens opgeroepen voor de zitting van 27 januari 2003. Deze oproeping is op 6 januari 2003 aan de griffier betekend en als gewone brief naar het GBA-adres van verzoeker verzonden. Verzoeker is blijkens het proces-verbaal terechtzitting wederom niet verschenen. Het hof heeft diezelfde dag uitspraak gedaan.
8. Gelet op het feit dat uit de stukken niet blijkt dat er op 7 september 2000 enige behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden of dat het hof enige beslissing naar aanleiding van die dagvaarding heeft genomen, en de PG bij het hof vervolgens een dagvaarding heeft doen betekenen om te verschijnen op de zitting van 5 november 2002 en later een oproeping heeft doen betekenen om te verschijnen op 27 januari 2003, en de tenlasteleggingen gelijkluidend zijn, moet het ervoor worden gehouden dat de PG bij het hof de voor de terechtzitting van 7 september 2000 bedoelde appeldagvaarding heeft ingetrokken.(1)
9. Het middel faalt.
10. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte de tenuitvoerlegging heeft gelast in de zaak met inleidend parketnummer 10.201163.97 aangezien verzoeker in deze zaak nimmer in eerste instantie terecht heeft gestaan.
11. Uit de toelichting maak ik op dat de steller van het middel kennelijk meent dat zich in het dossier geen stukken bevinden waaruit kan worden opgemaakt dat verzoeker op 2 maart 1998 door de politierechter is veroordeeld in de zaak met parketnummer 10.201163.97.
12. De klacht mist feitelijke grondslag omdat zich in het dossier de aantekening mondeling vonnis in de zaak met parketnummer 10.201163.97 bevindt.
13. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende overweging.
14. Gronden waarop de Hoge Raad ambtshalve de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het bestreden beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 HR 24 november 1987, NJ 1988, 640.