ECLI:NL:PHR:2004:AO8335
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van samenloopbepalingen en bevoegdheid politierechter bij strafoplegging
In deze zaak werd de vraag behandeld of de politierechter bevoegd is tot het opleggen van een gevangenisstraf van meer dan zes maanden bij ongelijktijdige berechting van strafbare feiten waarop de samenloopbepalingen van art. 63 Sr Pro van toepassing zijn. De verdachte was door het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf die hoger was dan zes maanden, hetgeen ter discussie stond.
De verdediging stelde dat de politierechter volgens art. 369.1 Sv niet bevoegd was tot het opleggen van een gevangenisstraf van meer dan zes maanden en dat gelijktijdige berechting mogelijk was geweest, waardoor de straf niet hoger had mogen zijn. Het hof oordeelde echter dat art. 63 Sr Pro de samenloopbepalingen ook van toepassing verklaart in gevallen waarin die volgens de tekst van de artikelen 56-62 Sr niet zouden gelden, en dat de politierechter wel bevoegd is om een gecombineerde straf op te leggen, maar niet meer dan zes maanden gevangenisstraf.
De Hoge Raad verwierp de klachten van de verdediging. Zo was gelijktijdige berechting niet mogelijk omdat de feiten op verschillende momenten plaatsvonden. Ook werd bevestigd dat het hof terecht een hogere straf heeft opgelegd dan de politierechter zou hebben kunnen doen, en dat het feit dat het Openbaar Ministerie in hoger beroep is gegaan geen beperking oplegt aan de strafoplegging. De Hoge Raad concludeerde dat de strafmotivering voldoende was en dat het middel faalde.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de bevoegdheid van het hof om een gevangenisstraf van meer dan zes maanden op te leggen bij ongelijktijdige berechting onder art. 63 Sr.