ECLI:NL:PHR:2004:AO8390

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00414/04 W
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 WOTSArt. 11 VOGP
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad oordeelt over strafmotivering bij omzetting buitenlandse Opiumwetstraf

De zaak betreft de omzetting van een in Denemarken opgelegde gevangenisstraf wegens invoer van cocaïne en xtc-pillen naar een Nederlandse straf. De rechtbank had een gevangenisstraf van 67 maanden en 15 dagen opgelegd, gelijk aan de effectieve strafduur die de veroordeelde in Denemarken zou uitzitten, rekening houdend met voorwaardelijke invrijheidstelling en levenslang toegangsverbod tot Denemarken.

De Hoge Raad stelt dat de Nederlandse strafrechter bij omzetting van een buitenlandse straf niet alleen moet afgaan op de duur van de buitenlandse straf, maar ook de Nederlandse maatstaven en opvattingen over het delict moet laten meewegen. De rechtbank heeft dit nagelaten door uitsluitend te sturen op de effectieve duur van de Deense straf zonder nadere motivering waarom een lagere straf niet passend zou zijn.

De conclusie van de Procureur-Generaal is dat de rechtbank art. 31, eerste lid, WOTS heeft geschonden door onvoldoende motivering en dat de zaak moet worden vernietigd en terugverwezen naar de rechtbank Amsterdam voor een nieuwe strafbepaling die zowel internationale gevoeligheden als Nederlandse opvattingen in acht neemt.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak terug voor nieuwe strafbepaling met inachtneming van Nederlandse maatstaven.

Conclusie

Nr. 00414/04 W
Mr Jörg
Zitting 20 april 2004
Conclusie inzake:
[verzoeker=de veroordeelde]
1. De rechtbank te Alkmaar heeft verlof verleend tot tenuitvoerlegging in Nederland van de beslissing van The City Court te Graasten (Denemarken) van 26 mei 2003, waarbij de veroordeelde is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaren en zes maanden, en wel voor de duur van zevenenzestig maanden en vijftien dagen.
2. Namens verzoeker heeft mr T.B. Trotman, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt onder verwijzing naar HR 21 december 1993, NJ 1995, 199 m.nt. AHJS dat de rechtbank bij de omzetting van de door de Deense rechtbank opgelegde straf art. 31 WOTS Pro en art. 11 VOGP Pro heeft geschonden, althans dat de strafmaatoverweging niet consistent is, innerlijk tegenstrijdig en daardoor onbegrijpelijk.
4. De officier van justitie heeft met betrekking tot de door de WOTS-rechter op te leggen straf overwogen dat aan de veroordeelde een straf diende te worden opgelegd waardoor de veroordeelde geen dag langer, maar ook geen dag korter in Nederlandse detentie zou moeten verblijven dan hij in Denemarken in detentie had moeten verblijven.
5. Uit de door de Deense autoriteiten verstrekte informatie volgt dat een veroordeelde aan wie voorgoed de toegang tot Denemarken is ontzegd, na ommekomst van de helft van de aan hem opgelegde straf voorwaardelijk wordt vrijgelaten. In het onderhavige geval is door de Deense rechtbank bepaald dat verzoeker zich gedurende de rest van zijn leven niet meer in Denemarken mag bevinden. Rekening houdend met de Nederlandse regeling van vervroegde invrijheidstelling betekent dit, aldus de officier van justitie, dat om op precies dezelfde effectieve straftijd uit te komen, de veroordeelde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zevenenzestig maanden en vijftien dagen dient te worden opgelegd.
6. De verdediging heeft blijkens de pleitnotities een veel lagere straf bepleit.
7. De rechtbank heeft de veroordeelde conform de conclusie van het OM een gevangenisstraf opgelegd van zevenenzestig maanden en vijftien dagen. De rechtbank heeft hierbij onder meer het volgende overwogen:
"Bij de bepaling van de soort, de duur en de vorm van die straf heeft zij in het bijzonder het volgende laten meewegen.
[De veroordeelde] heeft zich schuldig gemaakt aan het invoeren in Denemarken van een kilogram cocaïne en 10.221 xtc-pillen.
De ernst van dit feit zal mede beoordeeld dienen te worden naar de normen die daarvoor gelden in het land waar het delict is gepleegd.
In Denemarken geldt de invoer van verdovende middelen als de onderhavige als een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Ook naar Nederlands recht is het invoeren van een dergelijke hoeveelheid verdovende middelen een ernstig feit.
De door de Deense rechter opgelegde straf is aanmerkelijk hoger dan de door de Nederlandse rechter voor soortgelijke delicten opgelegde straffen. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om, rekening houdend met de ernstige inbreuk op de Deense rechtsorde, een gevangenisstraf op te leggen van een duur die dezelfde daadwerkelijke vrijheidsbeneming met zich brengt als wanneer de genoemde beslissing van 26 mei 2003 door een Nederlandse rechterlijke instantie zou zijn genomen, rekening houdend enerzijds met de ernstige inbreuk op de Deense rechtsorde, anderzijds met de in Denemarken toegepaste regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling."
8. De Hoge Raad oordeelde in zijn arrest van 21 december 1993, NJ 1995, 199:
"dat art. 31, eerste lid, WOTS aldus moet worden verstaan, dat de rechter, bij het opleggen van de straf of maatregel welke op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld, de in het buitenland opgelegde sanctie, zonder de duur of omvang daarvan te overschrijden, in beginsel dient te vervangen door een straf of maatregel die naar Nederlandse maatstaven en opvattingen geacht wordt te beantwoorden aan de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van de dader, zij het dat de rechter bij die vervanging tevens rekening dient te houden met internationale gevoeligheden."
9. De Nederlandse strafomzettingsrechter dient dus tussen de Scylla van internationale gevoeligheden en de Charybdis van nationale verworvenheden door te varen. Dat deed de rechtbank echter niet: zij koerste enkel op Scylla en is daar mijns inziens dan ook op de rotsen gelopen. Door zich geheel te oriënteren op de straftijd die verzoeker in Denemarken nog effectief zou dienen uit te zitten is zij tekort geschoten in haar taak een straf op te leggen waarin ook de Nederlandse maatstaven en opvattingen over een delict als het onderhavige doorklinken. Zulks houdt niet in dat de opnieuw bepaalde straf niet geheel gelijk aan de buitenlandse straf kan zijn, maar dan zal de rechter moeten beargumenteren waarom - in een geval waarin de Nederlandse maatstaven en opvattingen meebrengen dat voor een bepaald delict een lagere straf pleegt te worden opgelegd - de bijzonderheden van het geval geen lagere straf toelaten. De officier van justitie heeft verzoeker daartoe nog wel het een en ander voor de voeten geworpen, maar daarvan keert (terecht) in het vonnis niets terug. Ook overigens ontbreekt in het vonnis echter een argumentatie waarom de Nederlandse straf precies gelijk moet zijn aan de buitenlandse straf.
De rechtbank heeft art. 31, eerste lid, WOTS geschonden.
10. Naar zijn bedoeling gelezen, is het middel terecht voorgesteld.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank te Amsterdam opdat opnieuw in de straf wordt voorzien.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG