ECLI:NL:PHR:2004:AO8709

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R03/097HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:160 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging alimentatieverplichting wegens samenwonen volgens artikel 1:160 BW

De zaak betreft een geschil over de beëindiging van de alimentatieverplichting van de man jegens zijn ex-echtgenote. De man stelde dat de vrouw sinds maart 1995 samenwoonde met een derde, wat volgens artikel 1:160 BW Pro leidt tot het einde van zijn alimentatieverplichting. De rechtbank wees het verzoek van de man af, omdat hij onvoldoende bewijs had geleverd dat sprake was van een duurzame affectieve relatie met gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging.

In hoger beroep vernietigde het hof het vonnis en oordeelde dat de vrouw de stellingen van de man onvoldoende had betwist, waardoor de alimentatieverplichting per 3 juli 2002 eindigde en de vrouw onverschuldigd betaalde alimentatie moest terugbetalen. De vrouw had echter wel degelijk gemotiveerd verweer gevoerd in eerste aanleg.

De Hoge Raad stelt vast dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door niet adequaat rekening te houden met het verweer van de vrouw en uitsluitend te steunen op de eerste aanleg. De cassatie wordt gegrond verklaard en de zaak wordt verwezen voor verdere behandeling en beslissing. De overige klachten behoeven geen behandeling.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.

Conclusie

Rekestnummer R03/097HR
mr. De Vries Lentsch-Kostense
Parket 29 april 2004
Conclusie inzake
[de vrouw]
tegen
[de man]
Inleiding
1. Partijen (verder ook: de vrouw en de man) zijn gewezen echtgenoten. Zij zijn op 27 juli 1984 met elkaar gehuwd; uit het huwelijk zijn twee dochters geboren, op [geboortedatum] 1986 onderscheidelijk op [geboortedatum] 1988; het huwelijk is op 28 mei 1991 ontbonden door inschrijving van het echtscheidingsvonnis van 24 april 1991 in de registers van de burgerlijke stand; de dochters van partijen verblijven bij de vrouw. In het echtscheidingsvonnis is de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw bepaald op f 2.800,- (rond EUR 1.271,-) per maand.
2. De man heeft bij inleidend verzoekschrift verzocht zijn alimentatieverplichting per 1 januari 1996 te beëindigen met veroordeling van de vrouw tot terugbetaling van de nadien door hem betaalde alimentatietermijnen; hij heeft daartoe aangevoerd dat de vrouw sinds maart 1995 met [betrokkene 1] samenleeft als bedoeld in art. 1:160 BW Pro dat vereist dat tussen de samenwonenden een affectieve relatie bestaat van duurzame aard die met zich meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. De man heeft ter ondersteuning van zijn stellingen een rapport van een recherche- en adviesbureau overgelegd.
De vrouw heeft een verweerschrift ingediend; zij heeft erkend dat zij een affectieve relatie met [betrokkene 1] heeft en dat zij veel tijd met hem doorbrengt, maar zij heeft - onder overlegging van een verklaring van [betrokkene 1] - betwist dat deze relatie een samenleving als bedoeld in art. 1:160 BW Pro vormt, daartoe stellende dat [betrokkene 1] een eigen woning in [woonplaats] heeft en dat partijen geen gemeenschappelijk huishouding voeren of elkaar wederzijds verzorgen.
3. Bij tussenbeschikking, vastgelegd in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 september 2001, heeft de rechtbank bepaald dat de man in de gelegenheid wordt gesteld nader bewijs bij te brengen van zijn stelling dat de vrouw feitelijk samenwoont met [betrokkene 1] aan het adres [a-straat 1] te [plaats] en te bewijzen dat de vrouw en [betrokkene 1] elkaar wederzijds verzorgen in financieel en/of ander opzicht.
Bij eindbeschikking van 3 juli 2002 heeft de rechtbank vooropgesteld dat de vrouw de stellingen van de man heeft betwist. Zij heeft vervolgens weergegeven welke vereisten gelden voor het aannemen van samenleven als bedoeld in art. 1:160 BW Pro. Daarop heeft zij de verklaringen van de door de man voorgebrachte getuigen (de vrouw, de man en [betrokkene 1]) samengevat weergegeven en vervolgens geoordeeld dat uit de concrete en gedetailleerde verklaringen die de vrouw en [betrokkene 1] over de vorm en inhoud van hun relatie hebben afgelegd kan worden afgeleid dat tussen de vrouw en [betrokkene 1] geen sprake is van een relatie die voldoet aan de voorwaarden door art. 1:160 BW Pro gesteld en dat zulks evenmin kan worden afgeleid uit hetgeen de man uit eigen wetenschap heeft kunnen verklaren, terwijl zulks ook niet kan worden afgeleid uit het door de man overgelegde rechercherapport en de door de man zelf opgestelde en overgelegde verslagen van gesprekken met diverse personen die hij evenwel niet als getuige heeft doen horen. De rechtbank heeft voorts overwogen dat er - mede gelet op het belang van een goede procesorde - geen aanleiding bestaat de man toe te staan alsnog stukken over te leggen bij zijn conclusie na enquête. De rechtbank is tot de slotsom gekomen dat de man in zijn bewijsopdracht niet is geslaagd zodat zijn verzoek dient te worden afgewezen.
4. De man heeft hoger beroep ingesteld onder aanvoering van vier grieven. Hij heeft in zijn grieven betoogd dat hij wel degelijk genoegzaam heeft aangetoond dat er feitelijk wél sprake was van een permanente samenleving van de vrouw met [betrokkene 1] op haar adres in [plaats] (grief I) en voorts dat de vrouw en [betrokkene 1] bijdragen in de kosten van een gezamenlijke huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien (grief II); de man heeft verder betoogd dat de rechtbank hem ten onrechte niet heeft toegestaan nog producties (waaronder een nader rapport van het recherchebureau) in het geding te brengen (grief III). Ten slotte heeft de man betoogd dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek heeft afgewezen (grief IV); in de toelichting op deze grief heeft de man gesteld dat hij met deze grief het geschil in volle omvang aan het hof wil voorleggen om vervolgens te betogen dat hij een viertal met name genoemde getuigen wil doen horen gezien het mogelijk belang van de aanvullende verklaringen van deze getuigen.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend. Zij is wel bij de mondelinge behandeling ter zitting van 14 april 2002 verschenen. Uit het proces-verbaal van het behandelde ter zitting blijkt dat de advocaat van de vrouw heeft verklaard dat de vrouw persisteert hij haar standpunt dat zij niet samenwoont met [betrokkene 1] en dat geen sprake is van wederzijdse en financiële verzorging, alsmede dat de vrouw tevens getuigen wil doen horen, in het bijzonder de medewerker van het recherchebureau, indien het hof het bewijsaanbod van de man accepteert.
5. Het hof heeft bij eindbeschikking van 22 mei 2003 de beschikking van de rechtbank vernietigd en bepaald dat de alimentatieverplichting van de man met ingang van 3 juli 2002 is geëindigd met veroordeling van de vrouw tot terugbetaling van hetgeen over de periode vanaf 3 juli 2002 "tot heden" onverschuldigd is betaald. Het hof heeft zijn beslissing gegrond op de overweging dat de vrouw de stellingen van de man onvoldoende heeft betwist. Het hof stelde daartoe voorop - in rechtsoverweging 4.1 - welke vereisten gelden voor het samenleven als bedoeld in art. 1:160 BW Pro en voorts - in rechtsoverweging 4.2 - dat de man zich op het standpunt heeft gesteld dat de vrouw een relatie heeft met [betrokkene 1] die beantwoordt aan de eisen van dit wetsartikel en dat de man ter adstructie van dit standpunt onder andere heeft verwezen naar de getuigenverklaringen die partijen en [betrokkene 1] ten overstaan van de rechtbank Utrecht op 10 september 2001 hebben afgelegd. Het hof heeft vervolgens in rechtsoverweging 4.3 "daarbij in overweging [genomen]" hetgeen reeds uit het over en weer gestelde in eerste aanleg, de stukken in eerste aanleg en op grond van de in eerste aanleg gehouden getuigenverhoren aannemelijk is geworden, daarbij een opsomming, genummerd met de letters a-e, gevend van hetgeen aannemelijk is geworden; onder letter b wordt vermeld dat de vrouw en [betrokkene 1] samen veel tijd doorbrengen (blijkens de getuigenverklaring van de vrouw gemiddeld twee à drie dagen en nachten per week). In rechtsoverweging 4.4 heeft het hof daarop overwogen:
"4.4. Gezien het bovenstaande had het op de weg van de vrouw gelegen een nader concreet en gemotiveerd verweer te voeren tegen de onderbouwde stelling van de man dat de vrouw feitelijk duurzaam in een affectieve relatie samenwoont met [betrokkene 1] aan het adres [a-straat 2] (bedoeld is kennelijk [a-straat 1], DVL) te [plaats] en dat de vrouw en [betrokkene 1] een gemeenschappelijke huishouding vormen en in financieel en/of ander opzicht elkaar wederzijds verzorgen. Het hof is derhalve van oordeel dat de vrouw de stellingen van de man onvoldoende heeft betwist. Dit brengt met zich mee dat de alimentatieverplichting van de man is geëindigd."
6. De vrouw heeft - tijdig - cassatieberoep ingesteld; de man heeft een verweerschrift ingediend.
De cassatiemiddelen
7. Het eerste onderdeel van middel I (genummerd onderdeel 3.1) klaagt dat het hof niet heeft onderkend en aldus heeft miskend dat de vrouw in de procedure in eerste aanleg de stellingen van de man gemotiveerd heeft betwist en dat de man om die reden en overeenkomstig zijn aanbod toen en daar is toegelaten zijn stellingen door middel van getuigen te bewijzen; het vierde onderdeel van middel I (genummerd onderdeel 3.4) klaagt mede in dit verband dat de vrouw kon en mocht volstaan met handhaving van haar betwisting in eerste aanleg en niet gehouden was een nader concreet en gemotiveerd verweer te voeren tegen de onderbouwde stellingen van de man.
8. Het middel treft doel. Zoals blijkt uit het hiervoor weergegeven verloop van het geding, heeft de rechtbank geoordeeld dat de man bewijs van zijn stellingen diende te leveren, in welk oordeel ligt besloten dat de vrouw in eerste aanleg voldoende gemotiveerd verweer heeft gevoerd tegen de stellingen van de man. In appel heeft de man geen grief gericht tegen deze eindbeslissing van de rechtbank, zoals blijkt uit de hiervoor onder 4 weergegeven inhoud van zijn grieven. Daarbij neem ik in aanmerking dat de enkele vermelding in het appelschrift onder grief IV dat de man het geschil in volle omvang aan het hof wenst voor te leggen, onvoldoende is om aan te nemen dat ook de beslissing van de rechtbank dat de man met het bewijs van zijn door de vrouw voldoende gemotiveerd weersproken stellingen moet worden belast - naast andere door de man wel omlijnde bezwaren - in hoger beroep opnieuw aan de orde werd gesteld, temeer nu de op deze grief gegeven toelichting erop wijst dat de grief strekt tot het doen van een nader bewijsaanbod. (Vgl. HR 5 december 2003, NJ 2004, 76, waarin werd vooropgesteld dat als grieven worden aangemerkt alle gronden die een appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd waarbij de eis geldt dat die gronden behoorlijk in het geding naar voren zijn gebracht, zodat zij voor de rechter en de wederpartij voldoende kenbaar zijn.) Het hof is aldus buiten de grenzen van de rechtsstrijd in appel getreden met zijn oordeel dat de vrouw de stellingen van de man niet voldoende gemotiveerd heeft weersproken en dat daarom het verzoek van de man moet worden toegewezen; het middel beoogt kennelijk (onder andere) daarover te klagen. Anders dan de man in zijn verweerschrift betoogt, heeft het hof kennelijk niet bedoeld aan te geven - daargelaten of zulks begrijpelijk zou zijn mede in het licht van de stellingname van de vrouw tijdens de mondelinge behandeling - dat de vrouw heeft nagelaten de in appel nader toegelichte en met de producties 9-13 geadstrueerde stellingen van de man gemotiveerd te weerspreken; het hof verwijst immers in zijn hiervoor onder 5 weergegeven overwegingen uitsluitend naar hetgeen in eerste aanleg is aangevoerd en is komen vast te staan.
's Hofs beschikking kan niet in stand blijven en verwijzing moet volgen; de overige cassatieklachten behoeven geen behandeling meer.
Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden