ECLI:NL:PHR:2004:AO8819
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geldigheid onderzoek ondanks ontbrekende schriftelijke vordering A-G
Verdachte is door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf wegens diefstal door twee of meer verenigde personen met braak en subsidiair opzetheling. Tegen dit vonnis is cassatie ingesteld door de raadsman van verdachte met het middel dat het onderzoek ter terechtzitting nietig zou zijn omdat niet is gebleken dat de schriftelijke vordering van de Advocaat-Generaal is overgelegd.
De Hoge Raad constateert dat bij de processtukken wel degelijk de schriftelijke vordering van de Advocaat-Generaal is gevoegd, gedateerd 21 november 2001, en dat in het proces-verbaal van de zitting van het Hof wordt vermeld dat deze vordering is overgelegd. Hierdoor ontbreekt de feitelijke grondslag voor het cassatiemiddel.
De Hoge Raad oordeelt dat het middel faalt en dat er geen aanleiding is om ambtshalve de bestreden uitspraak te vernietigen. De conclusie van de Procureur-Generaal is dan ook om het beroep te verwerpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling van het Gerechtshof blijft in stand.